‘Heb je wat te melden?’
‘Zou kunnen. Of niet, ik weet het niet, is het belangrijk?’
‘Geen idee. Is het belangrijk voor jou?’
‘Misschien; soms denk ik, daar wil ik wat over zeggen, daar heb ik een mening over en ik heb er over nagedacht. Meteen komt dan de bijgedachte op de wereld verzuipt in meningen daar moet de mijne niet ook bijkomen, dan gaat ie kopje onder. Dat deprimeert en drukt op mij. En dat wil ik niet, ik heb lang genoeg tegen het leven in geroeid, het moet luchtiger.’
‘Maar zo ben je, beetje zwaar op de hand, soms, maar ook een levensgenieter. Beetje rare combinatie als je ze zo samen ziet. Toch begrijp ik het niet helemaal, wat wil je nou zeggen?’
‘Nou ja, het hangt misschien op die tegenstelling. De zwaaropdehandter beschouwt het leven en probeert er chocola van te maken, wat natuurlijk niet lukt want je loopt achter de feiten aan en van de geschiedenis wordt niet geleerd, en tegelijk wil je hoop houden, het gaat tenslotte om de toekomst van je kinderen, en de aarde. De levensgenieter probeert al die zwarigheid te ontlopen en zoekt het vertier, in het theater in grootse feesten die almaar groter worden de behoefte aan uitbundigheid lijkt naar telkens een nieuw hoogtepunt te ijlen, in het café op het terras kijkend naar de langsflanerende mensen die altijd opmonteren want zij zijn vrolijk en opgewekt, meestal. Hij drinkt een glas om te ontspannen, of zet het op een chips vreten of bergen ijs wegsmakken, allemaal dingen die slecht zijn voor de mens en die je gerust als verslavingen kunt wegzetten. Die levensgenieter zegt tegen de beschouwer hou toch op niemand zit op jouw opinies te wachten de toekomst in kaart willen brengen is piskijken jij hebt de wijsheid niet in pacht lazer op loop naar een terras neem een glas en kijk naar de mensen, daar word je vrolijk van. Of je denkt dat je er vrolijk van wordt. De mens hunkert naar luchtigheid in het leven.’
‘Die twee kunnen toch heel goed naast elkaar bestaan? De kritische beschouwer die de wereld tegen het licht houdt en tegelijk de mensen laat zien dat het leven ook zijn mooie kanten heeft, ondanks alles. Wat ik me afvraag; die kritische kant van je, hoe wil je die kenbaar maken, als je dat wil? Hoe doe je daar de wereld kond van?’
‘Op schrift. Op papier, maar dat is ouderwets, daar zit niemand meer op te wachten. Maakt ook dat ik ernstig twijfel of ik wel iets aan het papier moet toevertrouwen. Daarbij; een solide redenering komt niet zómaar uit de lucht vallen, daar moet je voor werken, wat overigens goed is, het houdt de geest scherp. Alleen; het hoofd wordt vaak genoeg zomaar blank als ik vind dat ik er voor moet gaan zitten om iets op papier te krijgen. Dan lonkt het terras, waar je ook maar zit te blauwbekken, al wordt het beter de laatste dagen. Ik vind het gedoe, schrijven, het is gedoe. En vaak vloeit de pen niet lekker, dat irriteert ook.’
‘Klinkt een beetje als een moeten, ervoor gaan zitten met de opdracht aan jezelf kom met een goed stukje, huphup! En als je dan niet met een aardig stukje komt dan was het weer niks vandaag weer een dag in de plomp gegooid beter is het naar de kroeg te gaan. Ben je niet een beetje streng voor jezelf?’
‘Zou kunnen, daar wil ik niet over nadenken.’
‘Krijg je wel ’s wat op papier?’
‘O ja, ik krijg wat op papier.’
‘En als je iets terugleest, van het papier, later, bevalt het dan?’
‘Niet altijd, soms.’
‘Je schrijft dus wel. Waarom gooi je het dan niet naar buiten, laat je het anderen lezen? Wat houdt je tegen?’
‘Als je een tekst openbaar maakt sta je in je blote kont, sta je er verloren bij je kunt zomaar gestenigd worden, een vreselijk gevoel en dat gevoel vrees ik voor alles, ik ben er schijtebang voor.’
‘Ja. Dat snap ik, daar kan ik je niet bij helpen, dat moet je zelf oplossen. Ik zou zeggen, succes ermee!’ Hij keek me lachend aan, leek me te bemoedigen, en smeerde ‘m.