Tredmolen was op bezoek bij de partijleider van ’s lands grootste één-lid-partij.
“Meneer Wilders, dank u dat u ons wilt ontvangen voor dit exclusieve interview. Om maar meteen te beginnen: u bent als onbetwiste aanvoerder van het extreemrechtse smaldeel de kop van Jut, de pispaal die alle hoon en kritiek en aanvallen op de persoon van de radikaal linkse oppositie te verduren heeft gekregen, en het lijkt erop dat het u geen ene flikker kan schelen. Het parelt van u af, zoals het ooit in een recent verleden van een zekere politicus afparelde. Ziet u enige gelijkenis met deze politicus?”
W. zich in een rage draaiend, “ik zie helemaal geen gelijkenis!, met niemand! U stelt een onbeschaamde vraag en hoopt op een reactie waarmee u mij zwart kunt maken! Ik laat me niet zwart maken, nooit! U hoopt dat ik politici in het linksradicale kamp ga stangen, voor de lol, dat doe ik nooit! Het zijn de vijanden die mij van het ergste beschuldigen. En u waagt het mij als een pispaal te bestempelen. Hoe durft u! De pispalen, dat zijn! dat zijn …!” W. ontplofte. Iets, wat je niet gauw bij ‘m ziet, moet hem in z’n gemoed hebben geraakt, en voor een moment was hij de controle over zichzelf kwijt, hij was even zichzelf kwijt. Een rood aangelopen hoofd met witte haardos keek mij aan, furieus, zo kende je hem niet, het was beangstigend.
“Neemt u me niet kwalijk, ik wilde u niet op stang jagen. Wat ik u ook wilde vragen: hebt u niet het gevoel dat uw kompanen, uw medestrijders in het meest rechtse kabinet ooit, u volledig in de steek hebben gelaten?”
“Verraders! Het zijn verraders! Allemaal! Ze zeiden voor de aanvang allemaal voor de goede zaak te staan, als het erop aankomt geven ze allemaal niet thuis. Lafbekken zijn het, ruggegraatloos, en dat wil dan een land besturen.”
“Ja, dat begrijp ik, maar u zult toch met iemand moeten regeren, in uw eentje redt u het niet.”
“Ik kan prima op mezelf regeren, ik heb niemand nodig, zeker geen partijen die hun vlag naar de waan van de dag laten wapperen.”
“Wie bedoelt u?”
“Wie bedoel ik?!” De rage nam weer toe, “ik bedoel die ruggegraatloze partij die als het erop aankomt gaat schipperen, gaat draaien, en op het eind kruipen ze een beetje naar me toe, zonder me te omarmen! Terwijl we in ons hart na verwant zijn! Dat is verraad!”
“Ik snap het. Iets anders: het blijkt dat de club van de boerenbond zo ongeveer uw hele verkiezingsprogram heeft gestolen. Stoort u dat niet?”
“Daar kan je van vinden wat je wilt, ze hebben natuurlijk wel gelijk. Al die allochtonen, die immigranten, de islam! Ze vergiftigen ons volk, ze moeten eruit!”
“Uw voorzitter in de 2e Kamer schreef in dat kader over omvolking, het verdrijven van een bevolking van het land, een grondgebied waar zij al eeuwen wonen. Bent u het daarmee eens? Is de omvolking van de allochtone bewoners uit Nederland de oplossing voor de problemen waar het land mee te kampen heeft?”
“Kampen, opsluiten”, oplichtende ogen, “ja, dat zou een goede oplossing zijn.” W. ontspande, leek zich weer op vertrouwd terrein te voelen.
“Maar uw kompaan van de boerenpartij, die heeft onderbetaalde seizoensarbeiders nodig om het inkomen van de boeren goed op pijl te houden. Gaat u dan de strijd met uw mede musketiers aan? Dat loont toch niet, met het oog op de verkiezingen?”
W., heel rustig nu, “dat die stotterpartij meelift op onze one issue slogan vinden wij natuurlijk niet verkeerd, het duwt ons extra in de goede richting. Maar het zijn natuurlijk armzalige rovers bij gebrek aan een eigen partijprogram, Trittbrettfahrer. Een beetje zielig ja, daar hebt u gelijk in.”
“Ik weet niet of ik het zo benoemd heb, laten we dat even voor wat het is. Kijken we naar voren: ziet u zichzelf weer regeren? Gaat u dat op eigen kracht doen of denkt u aan coalities, met de BBB of het CDA bijvoorbeeld, eventueel met de Ja-club van Janmaat erbij, o pardon, Eerdmans, die overigens een ongelofelijke windvaan is. Vindt u dat laatste niet een groot risico?”
“Met windvanen heb ik ervaring, die kan je alle kanten opdouwen. Daar zit het probleem niet. Het probleem is dat het land een sterke leider nodig heeft, en die is er niet. Alleen IK kan zo’n taak op zich nemen, kan het volk een sterke man geven. IK gaat de nieuwe leider van het land worden, het volk vraagt daar om.”
“Maar meneer Wilders, u bent de leider van een politieke eenmanspartij. Daar hebt u alleen te maken met een handvol jaknikkers. Op welke ervaring kunt u bogen, die uw mogelijke rol als leider van de BV Nederland rechtvaardigt?”
“Geen enkel probleem, je moet weten wie voor welke belangen staat, een beetje wheelen en dealen, de ene hand wast de andere, dat wijst zich vanzelf.”
“Tot slot, meneer Wilders; als de omvolking zijn beslag heeft gekregen, welke kant wilt u Nederland dan opduwen? Meer specifiek: hoe gaat u de Nederlandse economie draaiend houden?”
De rage bouwde zich weer op. “Dat gaat je niets aan! Dat bepaal ik zelf! Daar heb ik niemand voor nodig! Eruit! Er uit! Guard! Breng die man weg! Zeg ‘m dat ie nooit meer moet bellen, moet appen, weg met ‘m!”