Op een feestje, een gebeurtenis waar ik in de regel niet graag ben, op zo’n midden op de dagfeestje, trof ik de vrolijke tweeling die zich voor de gelegenheid in exact dezelfde kleding had gestoken. Het haar in een identiek-lichte krul gezet, de make up met raffinement aangebracht, daar waren twee individuen, de één identiek aan de ander, je kon ze niet missen. Alleen aan de kleine moedervlek achter in de nek wist je dat de één de één was, de ander de ander, die had ‘m namelijk niet. Maar dat moest je weten, en de een of de ander liet het al dan niet toe om de moedervlek bij de een te ontdekken en tegelijk geen moedervlek bij de ander. Je kwam er achter als je met hen in een geanimeerd gesprek was geraakt en je je verbazing had uitgesproken, hoe is het mogelijk dat een tweeling zo ongelofelijk sterk op elkaar lijkt. Dan draaide de een zich om en schudde wat met haar haar, streek er met haar linkerhand door als om het nog losser te laten vallen, en dan moest je goed kijken maar dat ging vanzelf, ze wisten hoe de aandacht vast te houden, héé, ja, daar zat een moedervlek. En in direct vervolg, als werd in vertraging een synchrone choreografie opgevoerd, draaide de ander zich om en streek even achteloos met haar hand haar haar omhoog, nee, daar zat geen moedervlek. Ze moesten geheel met hun rug naar je toe gaan staan zodat je de gelegenheid kreeg de moedervlek bij de een te spotten, en het waren uitdrukkelijk zij die beslisten of je het onderscheid mocht zien. Evenzogoed bleven ze je hun volle aandacht schenken en lieten je omtrent hun identiteit in het ongewisse, wie was wie. Hoogst charmant, een grappig spel dat overigens weinig opleverde, je kon niks met de zopas verworven kennis. Ik was in dit geval degeen die geheel als bij toeval iets had opgemerkt, al had ik geen idee wat precies, noch wist ik deze signalen te duiden. Maar dat was op dit moment niet van belang. Zij waren zo’n ongelofelijke eenheid dat het niet uitmaakte met wie je sprak, zij waren één mond, wonderschone mond.
Ik trof het stel daar, saai feest, en kwam met ze in gesprek, een gesprek op zo’n geestdodend er-moeten-zijn-feestje waar de vormelijke toon en omgang met elkaar elke lust voor het leven in het algemeen in het zand liet lopen. Een buitenstaander neemt zoiets heel precies waar.
“Verveel jij je ook stierlijk?” vroegen ze me uit één mond prachtige mond vooral als de lippen de snel uitgesproken woorden vormden. Je wist niet goed of je je blik op de lippen wilde laten rusten of terug wilde laten pendelen naar de donkere ogen van albast want je sprak met hen en dan kijk je mekaar in de ogen nietwaar? Dus. Terwijl ik een beetje wegzonk in die glanzende op een of andere manier rustgevende poelen, er valt ter plekke iets van je af, zoiets, dat overkomt je zogezegd, terwijl ik daar loskwam van die saaie omgeving dacht ik, het zou toch veel leuker zijn om met die twee iets te ondernemen ver van hier, ver van al die knellende conventies. Ik had een bootje op de plas, het was mooi weer, lekkere temperatuur licht windje, echt iets om gebruik van te maken; kortom een prachtgelegenheid om een zomeravondzeiltochtje voor te stellen en meteen een frisse neus te halen. Dus ja, “het is hier verschrikkelijk, zo bedompt, zullen we de natuur in, ons de late zonnestralen halen ons wentelen in de zoele avondlucht, is dat een idee? Ik heb een bootje op de plas, niet ver van hier zo opgetuigd, kunnen we genieten van de ondergaande zon, nou ja dat duurt nog even.” De zusjes waren verrukt. We spraken af even de gastheer een handje geven, de vereiste bewegingen maken verplichte blabla uitwisselen, helaas ja er is nog een feestje elders moeten we ons laten zien helaas, het was gezellig. Zo maakten wij ons uit de voeten, de tweeling ging snel naar huis om zich om te kleden, ik haalde een meloen op de markt en plukte abrikozen in mijn eigen tuin, en na een picnickmandje te hebben laten vullen bij de picnickmandjesvuller preciezer -vulster, populair beroep overigens en eens iets anders dan wijnhandelaar, togen wij naar de plas, heessen de zeilen en staken van wal. Het bootje gleed elegant langs de stijgers de jachthaven uit, een verstilde aftocht die meteen de toon zette voor de rest van de avond. Er woei een zacht konstant briesje, lichte rimpelingen in het vlakke water zochten hun weg naar de einder. De behagelijke warmte van de zomerse dag omvatte ons, een geschenk ons aangeboden door de natuur.
Op de plas voeren wij van links naar rechts op en neer, ik koos telkens een koers waarbij we niet voortdurend de schootvoering hoefden aan te passen. Dat is zomeravondzeilen, er is vooral niet de noodzaak heftig aan de touwen te hangen. De wind streelde de huid, een lauwwarme streling die de huid prettig droog hield. Een zekere loomte dreigde ons te overvallen, en toch bleven we alert, het bootje moest veilig door het water gestuurd.
“Mooie plas, zei de één, alleen wel een beetje druk met al die huizen langs de kant.” “Maar wel lekker rustig hier,” zei de ander, “zo dicht bij de stad, had ik niet verwacht.” Ze draaiden hun gezicht naar stuurboord en naar bakboord, de zonnestralen werden royaal opgevangen, zonaanbidders waren ze; ik stuurde op de wind, de meisjes draaiden mee op de zon. “Daar achter in de hoek ligt een andere plas, die is heel rustig omdat de doorgang ernaartoe heel nauw is, een smalle geul, daar houden plezierzeilers niet zo van.” “Maar wij wel, smalle doorgang weten we alles van altijd veelbelovend, laten we daarheen gaan, naar die stille plas. Dat kan jij toch, je door die smalle doorgang wurmen, schippertje?” Ze lachten me toe, spoorden me aan, hun lach verspreidde zich als een ronde melodie over de plas die op dat moment geheel van ons was; in de tuinen aan de waterkant was geen hond te bekennen, wij waren alleen op de wereld. Ik stuurde de boot richting de hoek en speurde naar de staken die de geul markeren, je moet daar heel precies langsheen varen, anders loop je vast in de modder die daar een sterk zuigende werking heeft, je komt moeilijk los als je eenmaal vastzit. Ik legde dat de meisjes uit, met een air van kijk eens dat weet ik allemaal en ik ga jullie veilig naar de andere plas brengen. Dat deed ik en intussen maakten de meisjes zich vrolijk over mij, prezen mijn stuurmanskunst en informeerden naar de werking van de helmstok, “dat is toch dat ding om mee te roeren?” informeerden ze belangstellend, “daar stuur je toch je bootje mee is het niet?” “Ja het zit iets anders, de helmstok is verbonden aan het roerblad en het roerblad zorgt ervoor dat de boot recht naar voren gaat, of naar loef of naar lei draait al naar gelang waar de stuurman heen wil. Beetje technisch misschien, maar zo zit het, willen jullie de helmstok eens vasthouden? dan kunnen jullie voelen wat er gebeurt als je ‘m naar je toe trekt of van je afduwt.” De meisjes waren een en al aandacht en vol bewondering en riepen “ja ja dat willen we maar we kennen ook een stokkie dat laat zich helemaal niet sturen!” en ze schaterden het uit. Ze namen de een na de ander de helmstok in de hand, trokken er een beetje aan, duwden ‘m van zich af, en intussen keken ze in het rond en merkten nauwelijks hoe de boot door hun weinig gecoördineerde bewegingen voortdurend zijn koers verlegde. Of misschien wisten ze dat heel goed en hielden ze zich van de domme want in grote lijnen koersten ze wel degelijk naar een vast punt. Was dat beginnersgeluk of speelden ze een geraffineerd spel en zaten ze me in het ootje te nemen? Hoe ook, ze stuurden de nieuwe plas op die inderdaad heel stil was, geen ander bootje te bekennen geen riante huizen langs de oevers, maar ook niet heel groot dus al vrij snel hadden ze een paar keer heen en weer gevaren en ontstond er een stemming van ‘wat zullen we nu eens doen’, vooral bij de meisjes. “Zeg we krijgen een beetje trek van al die gezonde lucht hebben we niet een picknickmandje met allerlei lekkers bij ons? Waar mag die verstopt zijn?” Ze keken in het rond langs de randen van de kuip maar zagen zo gauw geen picknickmand. “Aan bakboord bij het vooronder is een kastje, daar zit ie in” en na hun vragende blik, “linksvoor, daar zie je een deurtje, kijk maar” en waarempel daar vonden ze een fijn gelakt deurtje dat een beetje stug openging, daar stond het picknickmandje. “Jij hebt wel een luizenleven hè? met je bootje en de plas en mooi weer ach het is hier goed toeven,” kwam het uit beider monden. Ze legden een kleedje op de vloer van de kuip en stapelden een paar sandwiches op de borden, de wijn werd ingeschonken, alles stond klaar. “Nu niet schuin gaan hoor, anders lazert alles hier om,” een wijze opmerking die gepaard ging met een parelende lach, de schipper kon niet anders dan de meisjes gelijk geven en de schoten vieren. Hij zocht een oppertje, streek de zeilen en gooide het anker uit. In de luwte van de hoge wal lag het bootje verstild te drijven, heel in de verte klonk een tierelierende wielewaal, verder niks, de namiddagzon strooide zijn stralen weldadig over hen uit. Zij hieven het glas, “op een mooie dag een gezond leven het leven is goed.” “De dag is nog niet ten einde dames, willen we na de broodjes nog even zwemmen? het water is heerlijk” zei de vrolijke Frans die inderdaad wist hoe je fijn kunt leven.
“O, maar wij hebben geen badpakken meegenomen, vergeten!” spraken de meisjes in koor.
“Geeft niks dames, het is een rustig plekje hier, we kunnen gerust in Adamskostuum de plomp in.” “In Adamskostuum, jij wel, maar wij dan, hoe moeten wij dan het water in? Dat weten we niet hoor.” Zij hieven het glas en klonken op de mooie avondschemering, zeiden ze, maar die liet nog even op zich wachten, de zakkende zon stond nog in volle glorie tegen de strakblauwe hemel.
“Er is een zwemtrapje, dat heb ik zo bij de hand, daarlangs kan je je rimpelloos in het water laten glijden.” Hij lachte en nam een slok van de witte wijn en keek de meisjes blij aan. “Maar eerst een hapje eten” vervolgde hij, “wat zou er verder allemaal in het mandje zitten? Sandwiches zie ik al, wat zou er nog meer zijn?” Verwachtingsvol keek hij naar de picknicmand.
“Haha, dat weet je wel, je hebt het er zelf ingedaan! Vertel op, wat zit er voor lekkers in?” Vrolijk deden ze een greep naar de mand, maar hij was hen voor en opende een klep aan één zijde. “Ik weet echt niet wat er in zit, ik heb het ook maar zo meegekregen, ik ben even nieuwsgierig als jullie” zei hij en deed een greep in de mand. Er kwam een Tupperware doos tevoorschijn, “aha! Eens kijken.” Hij opende het doosje, “kippenpootjes!” Hij nam er één uit en gaf het aan een van de meisjes. “Jij ook één?” vroeg hij de ander, en hij reikte haar eveneens een kippepootje aan. Ze namen allen een hap en keurden het vlees, het was zonder meer uitstekend. Het is altijd een genoegen mensen te zien die met smaak genoeglijk eten, hij keek met behagen naar de meisjes die geconcentreerd hun kippepootjes te lijf gingen. “Willen jullie er nog één en kan ik jullie bijschenken?” vroeg hij terwijl hij de fles al gereed hield en licht naar hen toeboog. “O ja, lekker wijntje lekkere kippen, wat heb je nog meer in je mandje?” Achteloos gooiden ze de afgekloven botten over de reep, “voor de vissen!” riepen ze vrolijk, “èhh, heb je ook servetten, of een papiertje? We hebben vette vingers snap je.” “O, maar die kan je aflikken hoor, en daarna spoel je ze af in het water, het water is hier bijzonder helder en schoon, als je hebt gezwommen kom je brandschoon uit het water, je huid voelt zijdezacht, puur natuur is het hier.” “Het zal toch niet wezen? Dat we in de pure natuur zijn beland zonder erom te vragen. Precies wat we wilden zus” zei de een tegen de ander. “Zijn al die produkten in je mandje wel biologisch? En dit bootje, is dat een natuurproduktbootje, is ie van hout?” vroeg zij verder aan de man, want ze wilde het wel graag precies weten. “Of is ie van ijzer, is ie geklonken? Mijn opa had een geklonken roeibootje, daar vertelde ie altijd over, dat hij daar mee uit vissen ging. Vis jij?” Intussen klopte ze eens met de hand op de buikdenning, ze wist zeker de boot is van hout, heel elegant, beslist a hell of a job om ‘m netjes en drijvend te houden.
De man hoorde het allemaal aan, het amuseerde hem, hij was ook geroerd door de ombevangenheid waarmee hij aangesproken werd, directe communicatie vond hij wel zo prettig, je wist waar je aan toe was en het bespaart omslachtig eromheendraaiend geouwehoer. Intussen viste hij uit de mand een paar wit linnen servetten. “Je hebt ook aan alles gedacht! Maar als jij het niet allemaal in de mand hebt gedaan, wie dan?” vroegen ze quasi bezorgd, “of heb je een butler of een huissloofje voor alles?” En ze schaterden het uit. “Soms wel, als je gasten moet ontvangen, dan huur je een butler in, dan weet je dat alles perfect is verzorgd.” “Dus je hebt een butler!” riepen ze in koor, “een butler die overal voor zorgt, nu vinden we het niet zo leuk meer, heeft je butler ook je bootje opgetuigd en klaargemaakt zodat je alleen maar hoeft op te stappen? Je hebt ons in de boot genomen, we voelen ons in de boot genomen, vind je niet, zusje? Nee, zo vinden we het niet zo leuk meer” en ze keken ‘m streng aan, onderwijl een nieuw doosje uit de mand vissend, tonijnsandwiches. Ze namen flinke happen, ze hadden gezonde trek.
“Nee nee, ik heb helemaal geen butler, heel zelden huur ik er een in, alleen als ik niet anders kan, als het regelen van een etentje teveel wordt voor een man alleen.”
“Alleen, alleen, alleen is maar alleen” reageerden ze “maar als jij de mand niet hebt gevuld, wie heeft het dan gedaan? Dat willen we wel graag weten.” De vraag werd nadrukkelijk gesteld, er werd een slokje genomen, een ander doosje werd tevoorschijn getoverd. “Aah, bramen, zelf geplukt? En abrikozen! Je zorgt wel goed voor ons.” Ze aten eerst van de bramen, namen daarna een abrikoos. “Heel lekker, de abrikoos, mooi fris, ook zelf geplukt?” “Ja, die komen uit de tuin, die zijn niet van de delicatessen,” antwoordde hij, hij nam ook een abrikoos. “En de rest van het mandje, wie heeft dat allemaal zo liefdevol klaargemaakt?” vroegen ze door, ze wilden het echt weten. “O dat heeft Annette van de delicatessen gedaan,” antwoordde hij achteloos en nam een slok. “Maar die kennen wij, Annette van de delicatessen, prachtige boezem, zachte ogen. Ja die kennen we. En die maakt voor jou van die verleidelijke mandjes? Nou nou, jij moet wel belangrijk voor haar zijn, een speciaal plekje bij haar hebben. Denken wij zo. Vertel eens, we zijn een en al oor.” Ze gingen er eens goed voor zitten. De pitten mikten ze op een rietpluim, ze misten ruim, maar dat was misschien ook de bedoeling. “Hup, vertel, we luisteren.” Ze schonken zich bij en gingen op het bankje bij de fokkeschoot zitten, recht tegenover hem, de rug recht, iets voorover gebogen. “We zijn altijd benieuwd naar een goed verhaal, nu is je kans; weet, je hebt een aandachtig gehoor.” Ze lachten hem aanmoedigend toe, draaiden met hun kont als om precies de goede zit te krijgen, maar een plank is een plank.
Door het levendige op hem inpraten was hij toch enigszins van zijn stuk gebracht, hij was het niet gewend zo direct en doelgericht aangesproken te worden. ‘Zielgericht’, ja dat was het goede woord. Maar de stemming en de rust van het ankerplaatsje en de aangename lauwe warmte van deze wonderbaarlijk schone avond brachten hem over de brug, hij nam de uitdaging aan. Want zo voelde het wel, hij voelde zich met de kloten voor het blok gezet, al had hij er ook om gevraagd. Van de andere kant, hij had het aandachtig gehoor van deze mooie meisjes die oprecht geïnteresseerd waren in zijn verhaal, zo scheen het hem toe. Helemaal zeker voelde hij zich daarover niet, maar goed, soms moet je de Rubicon over, zo was dat nou eenmaal. Hij stak van wal, hij punterde naar de overkant, de vaarboom in zijn ervaren handen, op weg naar de overkant naar een hem onbekend land.
“Goed dames, jullie zijn wel nieuwsgierig, maar goed, ik zal jullie vertellen over Annette.” “En over jou!” riepen ze in koor, en ze lachten ‘m toe. “Ja oké, ook over mij, al weet ik niet wat daar zo interessant aan is. Goed, over Annette”, “en over jou!, ze hielden voet bij stuk, “en over mij, goed goed, ik geef me over.” Hij schonk zich bij, zette het glas in het gangboord, normaliter niet een veilige plek voor een glas, maar de plas was onder de opper een spiegel, niets aan de hand. De meisjes zaten stil afwachtend naar hem te kijken, de zon scheen van opzij op hun gezicht, een lichte blos aan de ene kant, zachte contouren aan de andere. Eigenlijk was het een perfecte ambiance voor een ontboezeming, dacht hij, daar schrok hij enigszins van. Bovendien, wat had hij te vertellen, wat moest hij ontboezemen? Hij na een grote slok, een half glas bijna, schraapte de keel, en aarzelde.
Intussen hadden de meiden een hap van de watermeloen genomen die ze in een ander doosje hadden gevonden “Ooh maar die is heel lekker” riepen ze blij uit, “en dat heeft jouw delicatessenvriendin allemaal voor jou verzameld?” “Nee nee, de meloen heb ik zelf nog even op de markt gehaald,” haastte hij zich te zeggen, hij begon zich een beetje ongemakkelijk te voelen, onder zijn de gastheer spelen. Buiten het op de markt en in zijn tuin scoren van het fruit had hij verder erg weinig gedaan. In de ochtend het bootje opgetuigd en kleine reparaties uitgevoerd, dat wel, voordat hij de dames op het feestje tegen het lijf was gelopen, want hij had al het plan om een avondtoertje te maken.
“Je hebt een goede hand van fruit plukken op de markt,” zeiden ze tevreden. “Pluk je wel eens laaghangend fruit?” vroegen ze belangstellend. “Hoe bedoel je, laag hangend fruit?” reageerde hij vragend, toch minder op zijn gemak.
“Heb je ook een vriendinnetje?” veranderden ze van onderwerp, “een interessante vent als jij zal er toch geen moeite mee hebben om leuke meisjes aan de haak te slaan?” “Aan vissen doe ik niet,” lachte hij, en stopte abrupt. Moest hij hier een beetje gaan zitten vertellen van zijn veroveringen dates toevallige ontmoetingen en hoe geweldig die wel niet waren? En lang niet altijd waren? Had ie helemaal geen zin in. Maar hij wilde de steming niet bederven, en zei “weet je, het is helemaal niet zo gemakkelijk om mensen te vinden met wie je een interessant gesprek kunt voeren. Ik bedoel, het hoeft niet altijd alleen maar over koetjes en kalfjes te gaan, toch? Soms heb ik behoefte aan een goed gesprek, uitwisseling van meningen en standpunten, weging van argumenten of gewoon een discutabele positie in het maatschappelijke debat innemen en eens lekker ongegeneerd erop los ouwehoeren zonder voortdurend op politieke correctheid te hoeven letten.” “Jaah, daar kommen miepjes niet voor in aanmerking, je leest de roddelrubrieken vast niet en wat heb je verder dan met miepjes te bepraten? Maar heb je verder niet eens een leuk meisje ontmoet om leuke dingen mee te doen? Alleen maar praten is toch ook vermoeiend, vind je niet? Of ben je zo’n corpsbal die alleen maar verbaal met andere jongetjes op de vuist wil en niks anders kan? Nee, dat geloven we niet, zo’n tiepje ben je niet, ik denk je houdt toch te veel van het goede leven en de harmonie”, “harmonie, bedoel je de fanfare, zusje? Bedoel je dat hij achter de fanfare aanloopt?” reageerde de een terwijl de ander hem aandachtig monsterde. “Maar vind je nou eigenlijk dat je met vrouwen geen goed gesprek kunt voeren? Horen we je dat zeggen, hebben we dat goed gehoord?” riepen ze weer in koor. Hij voelde zich in het nauw gedreven. Dat had hij niet verwacht van deze leuke meisjes. Hij werd toch niet een verbale strijd ingetrokken waar hij helemaal geen zin in had? Hij pakte de fles en trok een allercharmantste glimlach op zijn gezicht, “zal ik nog wat bijschenken?” Hij moest een ander onderwerp van gesprek vinden, en wel snel, het moest wel gezellig blijven. Maar de meisjes waren daar helemaal niet van gediend, ze hielden hun glas niet bij, zeiden integendeel “joh je lijkt gepikeerd, je voelt je toch niet aangevallen door twee onschuldige meisjes? Nee toch, dat zou deze prachtige avond maar verpesten. Maar vertel eens, heb je wel eens met een vrouw gevochten? Zo op de mat van een dojo? heb je spierballen? Je ziet er niet heel gespierd uit, valt wel mee, toch?”, zei de een tegen de ander en er verscheen een licht vileine glimlach op hun gezichtjes, een glichlach die tegelijk waarschuwde en uitnodigde. Hij moest bliksemsnel schakelen, hij was het initiatief in dit samenzijn kwijt, hij moest de boel zien te redden. Dat wil zeggen, moest er iets worden gered? De avond was te mooi, hij zat hier met twee uitzonderlijk mooie meisjes, nee, niet opgescheept, integendeel het was een gelukstoeval zoals je zelden meemaakt wat heet zoiets had hij nog nooit meegemaakt hij moest de stemming goed houden, hij moest verder, geen idee waarheen, het was beangstigend maar zonder risico vaart niemand wel dus oké! vort met de geit. Zijn instinct zei hem, en oefening had hem daarbij geholpen, om in situaties waarin hij het natuurlijke overwicht waarover hij meende te beschikken dreigde te verliezen, of gewoon aan het verliezen was, door openlijke dreiging met geweld of door een gesloten oppositie van teveel mensen; als dat dreigde, wel, dan trok hij zich terug in zichzelf, hij nam een mentale meditatiehouding aan, hij bleef heer en meester over zichzelf, voor hem een conditio sine qua non, hij bleef souverein. “Vechten met vrouwen dat doe je toch niet? Vechten jullie wel eens met een man? Wat is daar nou voor lol aan?” Hij had zich er voor even uit gered, hij vreesde niet voor lang, maar hij kon een moment rustig ademhalen.
De meisjes waren geamuseerd, ze pakten hun glas en staken het hem toe, “een bodempje nog, niet meer.” Eén pakte pakte de arm waarmee hij de fles vasthield en trok ‘m voorzichtig naar zich toe, een klein stukje, onderwijl haar andere hand op dezelfde arm leggend, zij bevoelde aandachtig ’s mans onderarmspieren. “Voelt niet slecht, je hebt spieren dunkt me.” “Wil je eens bij mij voelen?” zei de ander en stak haar arm toe, ze gingen een beetje verzitten, iets meer in de richting van de man die de rol van opperschenker had opgegeven en de fles veilig op de buikdenning had gelegd. Hij had besloten, ik geef me over, kome wat komen gaat. Dus ja, hij nam de arm van de ander in zijn hand, prachtige soepele huid, ja, voelde stevig aan, gespierd, hoewel het meisje niets aanspande. Zijn hand gleed naar de elleboog, zijdezachte huid, ja, dit was geen suikerpopje. Even kwam de gedachte bij hem op zo is het leven mooi genoeg, wat kan je meer wensen dan het gezelschap van 2 mooie meisjes op een lauwwarme Bilderbuchavond? Ik houd deze prachtige sterke arm vast and that’s it, mooier kan het niet worden. Hij ging iets verzitten, strekte zijn andere hand als in trance naar de bovenarm, de hand gleed omhoog naar het schoudergewricht. Maar dit was niet naar de zin van de meisjes. De ander nam de hand van de man van haar schouder en verplaatste hem naar haar linkerborst. In één vloeiende beweging, de man had nauwelijks tijd zich te realiseren wat er gebeurde, zijn adem stokte. Zo ver was het met hem vandaag gekomen, wat aanvankelijk een speels voorstel leek om een aangename zomernamiddag en wie weet avond door te brengen, was uitgemond in hoe zij nu op de kuipvloer bij elkaar zaten, hij had zich gecompromitteerd. Zijn ademhaling ging nu toch echt moeizamer. Intussen had de een zich soepel naast haar zusje gezet. Zij nam ’s mans andere hand van de arm van haar zusje en plaatste deze met een besliste beweging op háár linkerborst, twee handen op twee linkerborsten, hij moest zich voorover buigen en had moeite zijn evenwicht te bewaren. “Voel je mijn hartslag?” vroeg Een. “Als je goed voelt, neem de tijd, dan voel je m’n hartslag. Zeg maar wat je voelt.” De man, die anders toch echt niet zo makkelijk van zijn stuk werd gebracht, had grote moeite zijn houding te bewaren, die van de nonchalante man van de wereld. Hij concentreerde zich op zijn linkerhand op de linkerborst van Een, klein, zacht, stevig, hij lag als gegoten in zijn hand. Hij tastte de borst af, voorzichtig, deed zijn best ergens onder zijn vingers een hartslag op te pikken. Maar hij vond niks. Een zat geheel relaxed kaarsrechtop en keek hem verwachtingsvol aan. “Ik voel ‘m, 50 slagen, je bent de rust zelve!” “En bij mij, voel je mijn hartslag ook?” vroeg Ander. Zij keek hem indringend aan, “voel je ‘m al?” Zijn rechterhand ging dezelfde weg als de linker, aarzelend, teder, geen hartslag. “Ook 50!, hoe is het mogelijk?” loog hij, “maar ja jullie zijn tweelingzusjes, zij jullie toevallig ééneiig?” Een beetje een flauwe opmerking, zeker, maar je moet wat in zo’n situatie. Hij trachtte te ontspannen.
“Op zich niet slecht” zei Een, “maar toch een beetje gegokt. Dat moet beter, kom leg je oor te luisteren.” En zij nam ’s mans hoofd in haar handen en drukte een oor tegen haar borst. Daarvoor moest het ensemble gaan verzitten, hoe ook, de man lag nu zo ongeveer tegen de borst van Een aan, weer dat zacht stevige, nu aan zijn wang. Terwijl hij ontspande, hij kon niet anders, hoorde hij plots de hartslag van Een, regelmatige gestage 53 slagen, en hij wilde meteen controleren of Ander eenzelfde frequentie had. Wonderbaarlijke momenten, niet vooraf te voorspellen, dacht hij.
“Wat geeft die lage zon nog een prachtige warme straling, vind je het niet een idee ons shirtje uit te doen en onze boezem aan de koestering van de zon bloot te stellen? Of zijn dat voor jou iets te veel me too dingetjes?” Zij wendden zich tot mij, “mag hoor, als het moet weten wij ons te gedragen.” Daarbij keken ze me geamuseerd voorzichtig lachend aan, enigszins onderzoekend, eerder zelfbewust uitnodigend. Ik begon het ineens ook warm te krijgen, mijn overhemd hield plots teveel hitte vast. “Nee nee, ik ben niet zo van de me too hoor, ieder beslist voor zichzelf en dat respecteer ik. Als jullie je t-shirtje uit willen doen, ga je gang, je zult het niet snel te koud krijgen. En zelf, moet ik zeggen, krijg ik het ook warm, de lucht lijkt stil te staan. Vinden jullie het goed dat ik ook mijn hemd uittrek?”
“Tut tut, niet meteen met een me too wedervraag aankomen, niet nodig, show us your torso!” tegelijk trokken ze hun t-shirt uit, daar was ik te traag, daarbij kost het losmaken van de knoopjes van een overhemd tijd. Ondertussen, aan mijn knoopjes frommelend, kon ik twee onwaarschijnlijk mooie boezems bewonderen, volkomen qua vorm, rond, pronte tepels, stevig en zacht zo wist ik inmiddels. Het benam me de adem, ik moet toegeven dat ik naar de twee gebeeldhouwde bovenlichamen intenser staarde dan wellicht betamelijk was. “Prachtig, jullie zijn een spiegelbeeld van elkaar! Twee voor de prijs van één!” Dat was geen slimme opmerking, eerder bot, maar het was eruit voor ik er erg in had.
“Luister niet naar hem, soms praat ie onzin,” zei de een tegen de ander, “maar wat vind je van zijn torso? Daar mag je mee voor de dag komen, denk je niet?” “Kom je vaak in de sportschool, Adonis? Jongleer je veel met de ijzers en moet je dan erg kreunen?” vroeg de ander. “In ieder geval, het ziet er goed uit, niet te gespierd, goed geproportioneerd, vind je niet?” Ze waren het eens, dat was duidelijk. Ze keken met welbehagen naar mij, het viel niet mee me een houding te geven. “Zusje, laten we deze torso eens betasten, het is geen standbeeld, we mogen er gerust aankomen. Met kijken kom je er niet, je moet voelen om te weten hoe het is om een man te zijn.” “Wat het is, bedoel je. Wat het is om een man te zijn” zei Ander, “hoe, daar komen we nooit achter. Hoe tikt een man, nou daar zijn bóéken over geschreven, je houdt het niet voor mogelijk hoeveel boeken er over mannen zijn geschreven, grote mannen indrukwekkende mannen criminelen dat zijn er overigens meer dan je denkt, drama queens te kust en te keur, allemaal door mannen geschreven. De man loopt over van bewondering voor mannen die zich zonder gêne bewondering laten aanleunen. Daar doen wij niet aan mee. Stel je voor dat ook vrouwen zich uitputten in huichelachtige bewondering voor een vent, een zooitje zou het worden! Daar moeten we niet aan meedoen hoor, dat hypocriete gedoe laten we aan de mannen over, laat ze lekker doen, wij blijven er buiten. Maar kijken kan, observeren kan, en het moet gezegd, wat we hier tegenover ons zien is heel passabel, laten we eens onderzoeken of het echt is. Kerel, kom eens een beetje dichterbij, zodat we je bicepsen kunnen voelen. Geen schaamte, nergens voor nodig.”
Daar zat ik, met ontbloot bovenlijf, op de vloer van de kuip,de zon was voor het uur van de dag nog verrassend krachtig, gelukkig maar, anders had ik daar zitten beven, zoals een kind dat bij de tandarts zit. Maar ik keek naar die twee prachtige lijven, beeldschone boezems, die geheel als vanzelfsprekend de warme zonnestralen opvingen, en mijn blik, en ze vonden het goed, ik mocht kijken. En verder was ik geheel van mijn à propos, elke illusie van beheersing van de situatie was nu wel verdwenen, ik verplaatste mijn glaasje voorzichtig en schoof naar voren, ik leverde me over. Vier handen begonnen heel voorzichtig mijn bovenarmen af te tasten, als waren ze in het duister en wisten ze de weg niet. Ik werd geroerd door de tedere aanrakingen, de aandachtige onderzoekende blik van de twee vrouwen. Hun aanraking maakte dat ik me hyperbewust werd van mijn lichaam, het hier en nu was volkomen dominant, alle gedachtenketens die normaal door je hoofd tollen waren kortgesloten. Een diepe rust daalde over me heen, ik was in het paradijs, ik was een onnozele Adam.
Zo zaten we tegenover elkaar, roerloos, de vingertoppen extreem gevoelig, de huid zacht en stevig, een fluweel dat je op de beste stoffenmarkt niet kunt kopen. Soms meanderde een hand over de bovenlichamen, als zocht het zich een weg, waarheen? De zijne weg van de borst die hij in verrukking omvatte, omhoog naar de jukbeenderen de hals heel voorzichtig zijwaarts richting schouderronding en aanzet van de bovenarm, maar telkens keerde de hand terug naar de borst, in een trage beweging, terug naar de omgeving van de tepel die zo fier overeind staat en trots naar hem wijst. Hun handen lagen stevig op zijn borst, boven de tepels, ze bevoelden zijn spieren, knepen erin en streken dan omhoog naar de schouder en bovenarm. De bicepsen werden gekeurd en goed bevonden de handen gingen terug naar de borst, maakten cirkels over de huid, alles in opperste concentratie.
Hij zat in trance, de aanraking was licht, beheerst, alle gevoel was geconcentreerd in het aanraken en aangeraakt worden. Zijn eigen lichaam voelde alomtegenwoordig, alomvattend. Het was de eerste keer dat hij zich van zijn eigen lichamelijkheid zo sterk bewust was, het in zo’n intensiteit ervoer. Het waren alleen de handen die bewogen, hij trachtte zo stil en rustig mogelijk te blijven zitten.
De dames waren aanmerkelijk ondernemender, het aanvatten was krachtiger, zij gingen sneller op hun doel af. Sterke vingers onderzochten de gladheid van de huid, de stevigheid van het spierstelsel, zij waren druk met het vlees dat zij onderhanden hadden, als ik me zo oneerbiedig mag uitdrukken. Met open visier, in volle concentratie. Ze keken me nauwelijks aan, zoveel aandacht ging er uit naar het betasten en het ervaren van het lichaam tegenover hen. Hij voelde de geconcentreerde aandacht van de vrouwen, zijn hoofd zat vol, het kon op dat moment niets meer opnemen.
Daar zaten zij, dicht bij elkaar, zich bewust van elkaars lichaam, van de zon op hun huid, een o zo lichte vleug warme lucht gleed over hen heen, geen haartje op de armen raakte in verzet geen rilling de temparatuur was volmaakt een enkele verre vogel kwinkeleerde een vis sprong uitgelaten uit het water de boot lag onbewegelijk de tijd stond stil. Totdat de dames het wel goed vonden. Kordaat trokken zij hun handen terug, ze gingen eens verzitten keken mij aan zeiden “me dunkt je krijgt het er maar warm van. Hoe is de kwaliteit van het water zei je zullen we een verkoelende duik nemen? Is dat verantwoord, qua natuurinclusiviteit?” Hij werd uit zijn staat van bijna volmaaktheid getrokken, trok schielijk zijn handen terug, keek de dames nu aan, beschroomd, hernam zich echter snel en “het water is hier tiptop, alles om de plas is hier natuurgebied er wordt biogeboerd de waterkwaliteit is enorm veel beter geworden de laatste jaren, een plons is verantwoord je hoeft niet te vrezen voor enge gevolgen voor je huid. Het is hier prachtzwemmen zonder meer.” “Wat denk je zusje, zullen we een verkwikkende duik nemen? En doe je mee kerel heb je by the way ook een handdoek op je boot?” Die had ik niet, dacht ik, maar ik checkte voor de zekerheid het bakboordkastje achter de mast en verdomd er lag een dunne handdoek, keurig opgevouwen. Ik hield ‘m triomfantelijk omhoog. “Dat is voor z’n drieën wel erg schraal maar goed we doen het ermee en de wind zal ons zeker ook drogen. Kom zusje, uit de kleren er is werk aan de winkel!” Zo snel als zij zich uitkleedden en meteen het water insprongen, hij voelde zich een hark, een trage hork die in gelijk tempo mee wilde maar het bij lange na niet haalde. Zijn instinct zei hem opnieuw de mentale meditatiehouding aan te nemen. Zo ook nu, hij werd zen, in een reflex, hij daalde in zichzelf af, naar niet eerder geëxploreerde diepten, vond een niet eerder ervaren vredigheid. Een vredigheid met zichzelf die, dat wist hij zeker, slechts had kunnen ontstaan door het naakte in het hier en nu staan, door de aanraking van de ander. Hij was nooit eerder zo dicht bij zichzelf geweest. In zijn vingertoppen lag de reden van zijn existentie besloten, dat wist hij nu.
Intussen stond de tijd niet stil, de meiden spartelden luidruchtig in het water, riepen hem toe kom kom! Half struikelend ontdeed hij zich van zijn lange broek, hij bedacht dat een korte broek bij dit weer beter had gepast maar ja, gewoontes, en haastte zich met een kloeke duik het water in dat wil zeggen dat was het plan de dames wenkten hem, zij maakten flink spektakel kom kom! Hij sprong, hij dook niet, het zou teveel masculiniteit uitstralen en dat wilde hij niet. Hij trok een sprintje om de opgekropte energie af te laten vloeien, ook om te laten zien dat hij een goede zwemmer was. Hij was snel, sneller dan de meisjes dacht hij, maar daar had hij buiten de waard gerekend, ze zwommen achteloos met hem op, drie dolfijnen in een grijsblauw spiegelend meer. Hij zette een tandje bij en ja hij was sneller, dat wilde hij toch even bewijzen. Hij stopte, de dames kwamen ontspannen naar hem toe “hé beau, wou je even demonstreren wie de sterkste is de meeste spierballen heeft? Maar je zwemt mooi, mooie slag, mooie snelheid compliment!” Het was een keuvelen dat hij zo niet kende. Hij voelde zich geborgen, door het water dat hem omhulde, door de nabijheid van de twee vrouwen die autonoom met hem omgingen, die zo volkomen zichzelf waren dat het behoedzame als vanzelf van hem afviel, daar leek het op. Een geluksgevoel overviel hem, hij was weerloos, en op dit moment in ieder geval voor even simpel blij.
“Jullie kunnen er ook wat van hoor, goed getraind, waar halen jullie de spierkracht vandaan mag ik vragen?” “Dat mag je vragen, zullen we het ook zeggen zusje? Ja we zeggen het. Welaan dan, wij zijn dansers. Bij de revue, dat is keihard trainen. De revue is zorgeloos, als je er van houdt. En dat doen we, nietwaar zusje?” Ander zwom op mij toe en monsterde me, op haar gemak bestudeerde ze mijn hoofd. “En wat doe jij, als ik, als wij jou vragen mogen?” Ach ach, altijd als die vraag hem gesteld werd irriteerde hem dat. Geld met geld verdienen, hij vond dat niet zo fraai, afkeurenswaardig zelfs. Maar het was wel makkelijk. Als je eenmaal een paar scrupules overboord had gegooid ging het vanzelf, het was makkelijk verdiend geld. En laten we eerlijk zijn, rommelen met geld is al zo oud als de ontdekking ervan. Je kunt immers, als je geen of onvoldoende geld hebt, pas iets verkrijgen dat je kennelijk zo graag hebben wilt, als je het ontbrekende geld van iemand leent. De uitlener doet dat niet voor niets, hij vraagt rente. En zo heeft hij na een poosje niet de pakweg de 10 die hij had uitgeleend, maar 11, of 12, 13. Een wonderbare geldvermeerdering bij de gelduitlener, die uiteraard wordt opgehoest door de geldvrager, die kreeg 10 en betaalt er 11 voor, of 12, 13. Maar de lener heeft wat hij begeerde, en de gelduitlener wordt rijker. Au fond is dat een faire deal, dacht hij. Je kan er lang en breed over filosoferen, maar zo zit de wereld in elkaar, begeerte laat zich niet temmen. De begeerte zit in de mens, die laat zich met geen geweld in de grip houden. Hij draaide mee in het circus, en met een beetje mensenkennis, kennis die zich beperkte tot het kunnen inschatten ‘gaat die man of vrouw of familie hard genoeg werken om mij de rente te gunnen?’ Allemaal gelul natuurlijk, apologetische zelfrechtvaardiging. Afijn, dat inschatten kon hij, ook als het om grote sommen geld ging. En louter die kwaliteit maakte dat hij zijn geld makkelijk verdiende. Niks hard werken, je hersens gebruiken, zo simpel is het leven. Brwoah, zum Kotzen vond hij zichzelf soms, maar niet nu. Bij deze prachtige, soepele, nieuwsgierige vrouwen voelde hij niet die irriterende opdringerigheid die hij anders zo vaak ervoer, geld trekt aandacht. Nee zij waren oprecht geïnteresseerd, wilden gewoon weten wat hij uitspookte. Ik ben bankier, zei hij, nooit eerder had hij deze zin zo ongedwongen uitgesproken. “Hahaha, hij is bankier! Hoor je dat zusje” schaterde Een. Ze zwom op hem toe, tikte hem met een vinger teder op de neus, bewoog zich nog dichterbij en drukte haar neus op de zijne,lichtjes, beheerst. “Je bent een geldharker bedoel je. Nou ja, ieder zijn meug. Verdien je ook goed? ik bedoel veel? Ben je gewoon rijk? Zeg het maar hoor, tegen ons kan je alles zeggen.” Ze keek hem recht aan, de armen breed zachtjes peddelend. De directheid waarmee hij werd getackeld verraste hem, maar ook weer niet. Hij schoof de opkomende irritatie terzijde, besloot de situatie te nemen zoals ie was, namelijk hij lag in het water met twee prachtmensen die antwoord van hem verlangden. Hij was de Rubicon al over gegaan, nou ja hij had zich al overgeleverd aan een ongewis avontuur, opmerkelijk voor een man die anders toch bij voorkeur met relatieve zekerheden jongleerde, nu moest hij consequent blijven. “Dames, jongelui, rijk is een relatief begrip” ving hij aan en werd gelijk onderbroken, “hoor je dat zusje? hij neemt ons in de zeik. Jongelui, voelen wij ons jongelui? Luitjes!, jullie bent nog jong, geniet van het leven, voel je rijk!” Ze kletste met haar hand op het water en leek werkelijk een beetje boos. “Rustig zusje, hij bedoelt het goed, laten we horen wat hij te zeggen heeft.” Ander zwom naar Een en gaf haar een kus. Ik was even van mijn stuk gebracht door de felheid waarmee Een mij attaqueerde, en ook het ‘voel je rijk’ dat ze aan de jongelui koppelde maakte dat hij het betoog dat hij van plan was af te steken moest heroverwegen, rijk is niet relatief.
“Oké, jongelui was misschien niet een handige opmerking, al zou je het met enige fantasie een non binaire aanspreekvorm kunnen noemen, wat dan weer politiek heel correct zou zijn, sorry! sorry! Afijn, wat is rijk? Ben ik rijk? Ja ik ben rijk, op dit moment in dubbel opzicht. Ik heb geld, een fijn huis, leuke auto, mooie boot, ik kan in feite doen en laten wat ik wil, geld is daar hoegenaamd geen belemmering. En ik ben rijk omdat ik op dit moment in het water lig, nu voel ik me heel rijk.” Tevreden met zichzelf keek hij hen verwachtingsvol aan, maar dat was een foute inschatting van hem. “Wat een gelul” zei Een “hoor je dat? Hij is rijk, jaja.” Zij sloeg haar ogen op naar de strakblauwe lucht, als om haar gedachten te ordenen. Vervolgens “jij zegt dat je rijk bent, oké, dat licht je aardig toe, al weten we niet wat jij onder een fijn huis verstaat. Je boot, ja, mooie boot, mee eens. Maar nu wat anders; denk je dat wij rijk zijn? Even niet meteen antwoorden.” Een liet een korte pauze vallen, Ander nam het over, “ik ga je even zeggen hoe wij dat zien. Zijn wij rijk in materieel opzicht? Mwah, valt wel mee, eigenlijk niet. Maar we werken in een theater, lezen veel boeken, hebben musea om de hoek, en we hebben elkaar, een groot goed. Ja, wij zijn rijk, toch? zusje?” Ander keek naar haar zusje die haar stralend toelachte, ja zij waren rijk. Daar bouwde zich toch een lichte jalouzie op bij de man. Zij waren samen!, voelden zich rijk, en hij was alleen, ondanks die baaierd aan contacten die hij had. Dat stak hem, zij hadden iets dat hij niet had. “Dames, riep hij, “zeg, dat was een boeiend filosofisch gesprek, stof tot nadenken. Maar we zijn hier ook voor het vertier. Wat denk je, zullen we even onderbreken en naar het strandje daar sprinten, even flink doorhalen? En daar in de zon ons drogen en uitrusten, en dan ons gesprek voortzetten?” “Goed plan kerel, doen we!” En weg waren de meiden. Ze trokken één lange sprint, ik moest erachteraan. Dat ging, ik had nog genoeg reserve, maar ik moest ook méé, anders zouden ze me gewoon laten zitten. Bij het naderen van het strand zette ik een eindsprint in, ik moest langs hen heen. Ik was er eerder, ja, maar behoorlijk moe, ik stond te hijgen als een karrepaard. Zij zwommen hun tempo verlagend minzaam op mij toe en gingen pal voor mij staan. “Een beetje competitief hè? Nou dat mag hoor, kerels zijn altijd competitief, strijdvaardig, wie heeft de grootste? Ja, dat is belangrijk voor jullie.” Daar stond ik, in mijn blootje. Gelukkig was Hij in rust, daar was niets te zien dat enige begeerte op kon wekken. Maar begeerte werkt anders, bedacht hij. Het gaat niet om het dingetje, het gaat om het totaal, de totaalindruk die indien positief begeerte opwekt. Hij keek naar de twee vrouwen en werd onrustig. “Zullen we hier even gaan zitten en ons koesteren in de zon? Een beetje uitrusten en krachten verzamelen voor de terugreis?” “Wat een onzin, krachten verzamelen. We zijn toch sterk genoeg? Je bent toch geen watje, kerel?” Een was duidelijk aanvalslustig, ik moest voorzichtig manoeuvreren, hier werden nieuwe eisen aan mij gesteld.
“Die zon op je huid, ongelofelijk. Alsof je omwikkeld bent in de lichtste kasjmieren sjaal, denk je ook niet zusje? Een sjaal die je warm houdt en die je door zijn schiere gewichtsloosheid niet voelt. Je wordt gekoesterd door de zon, en de zon praat niet. Heel prettig, geen tegenspraak, geen grootspraak. Zeg eens kerel, wat is voor jou belangrijk als het over de mens en het leven gaat?” “Waar gaat het jou om in het leven?” vulde Ander aan, “de mens leeft toch niet van brood alleen?” Ze waren gaan zitten, “tederheid,” antwoordde hij, het was eruit voordat hij er over na had kunnen denken. Hij voelde dat hij rood werd, of was hij bang dat hij rood werd?, en ineens kon hem dat niets meer schelen. Hij had het gezegd, het was er uit, hij voelde zich opgelucht. Hij vreesde niettemin de scherpe tong van de meisjes. Die wreven zich over hun armen en hals en buik om de enkele druppels die er nog waren te verspreiden. Zij keken hem nadenkend aan, zwegen een poos. “Kom eens dichterbij” zei Een, en zij schoof zelf een beetje in zijn richting. ” Niet bang zijn, kom maar gerust.” Ook Ander verplaatste zich naar hem toe. Hij aarzelde, twijfelde, was een beetje bang belachelijk te worden gemaakt, of dat ie in een val werd gelokt die hij niet zag. Maar de meisjes keken hem serieus aan, onderzoekend, verwachtingsvol. Hij schuifelde naar hen toe, hij gaf zich over, althans hij meende dat hij zich over gaf. Eenmaal binnen armlengte strekten de meisjes zich uit en begonnen zijn armen, schouders nek en borst te strelen, bijna zonder hem aan te raken. Een golf van warmte sloeg door zijn lichaam, hij moest de reflex van zich schrap zetten onderdrukken, hij keek de meisjes verbijsterd aan. Die, op hun beurt, kwamen nog wat dichter naar hem toe en gingen behoedzaam en geconcentreerd door met hem te strelen. Hij ontspande, hij gaf zich werkelijk over, zijn denken stopte, hij voelde de zon in zijn nek en rug, vier handen over zijn lichaam die hem niets dan aandacht en tederheid schonken. Op dat moment gebeurde wat hij dacht, vermoedde, dat het in het leven het hoogst haalbare was. Bewegingloos bleef hij zitten. Hij onderging de strelingen en wist; ik hoef nu niets terug te doen. Geen wederkerigheid werd door de meisjes gevraagd, het was het zuiver ondergaan van een belangeloze liefdevolle Akt.
Een plotselinge opwelling om te gaan janken sloeg door zijn lijf. Zo snel als het gevoel van verlorenheid zijn geest in bezit nam, zo drastisch was ook zijn beslissing om het niet toe te staan, er niet aan toe te geven, hij wilde het niet en daarmee basta. En de betovering was in een klap verbroken, hij moest zichzelf weer verzamelen, het gevoel van uit elkaar vallen moest gestopt worden, hij was er niet aan toe. Het was angstaanjagend wat er gebeurde, hier was hij totaal niet op voorbereid.
De meisjes merkten het onmiddellijk, de omslag in zijn stemming. Zij trokken hun handen terug, gingen wat verzitten, “zullen we even op adem komen?,” keken hem rustig aan. Wat gebeurde er kerel, vroeg Een. Zij legde haar handen in haar schoot, richtte haar ogen zo ongeveer op zijn middenrif. Ander richtte haar blik op de einder, beiden bleven roerloos zitten. De stilte omhulde hen, ze lieten Heiko, zo had hij zich toen hij de meisjes had opgehaald voorgesteld, de tijd om zich te hernemen. Die tijd had hij nodig. Hij kwam van ver, van waar hij kwam moest hij terug de werkelijkheid in, eigenlijk wilde hij niet, maar de schrik was hem dermate om het hart geslagen dat hij zijn oriëntatie kwijt was. Hij was zichzelf kwijt, pats! Het enige wat hij kon bedenken, om weer terug te keren, was iets doen, in actie komen, bekende routines oppakken zodat hij weer in een vertrouwde struktuur kwam, zijn houvast hervond. Daar had hij zich altijd mee gered, de regelmaat van vertrouwde handelingen gaf ordening aan het leven. Zijn hele leven, sinds hij had beseft dat gedrag dat de ander niet van hem verwachtte, zijn gedrag, meteen een subtiele verandering in gedrag bij de ander teweeg bracht, de reactie van de ander naar hem toe werd haast onmerkbaar aangepast, sinds hij besefte dat het zo werkte tussen mensen, had hij hard gewerkt aan het ontwikkelen van voorspelbare gedragspatronen. Heldere communicatie is het alpha en het omega in de mensenwereld. Hij meende inmiddels zo ongeveer alle mogelijke moeilijke situaties aan te kunnen, zijn charmes zette hij gedachteloos in, hij reageerde snel, ad rem als het zo uitkwam, hij verschafte zich tijd om zich bezig te houden met de dingen die ertoe deden; kopen, verkopen, gunstige allianties sluiten. Sociale behendigheid, zo zou je het kunnen noemen, hij had zich er altijd prima mee gered, tot nu. Het kostte hem erg veel moeite terug te gaan naar de persoon op wie hij had leren vertrouwen, die hem zo veel had gebracht, die op dit moment ineens helemaal niet meer op zijn plek leek.
“Zullen we terug zwemmen naar de boot? het wordt al laat.” De klap terug in de realiteit, hij wilde het niet, hij wilde helemaal niet weg, wist tegelijk dat het moest. De zon ging onder, ze moesten terug naar de haven naar hun huizen, morgen was er weer een dag. De meisjes keken hem aan, bestürzt zeggen de buren, ook bij hen was de ban van de betovering verbroken, ook zij moesten zich hernemen, ook zij moesten terug naar de bewoonde wereld. Ja, laten we dat doen, zei Een, en Ander knikte instemmend, zullen we er een wedstrijdje van maken, terug zwemmen een race tegen de klok? En wat is het water fantastisch heerlijk vind je ook niet zusje? dat heb je toch heel mooi voor ons gevonden kerel, dank je wel! Hoewel duidelijk welgemeend, klonk het lichtelijk gratuit in zijn oren.
Ze stonden op en liepen het water in, waren zich ineens bewust van hun naaktheid. De meisjes zetten er meteen een hoog tempo in, met krachtige slagen werd het water in beroering gebracht. Heiko zwom erachteraan, volgde hen, hij had geen zin meer in een wedstrijdje. Maar bij het naderen van de zeilboot zette hij toch een tandje bij zodat ze met z’n drieën gelijk aankwamen. Heiko trok zich in één soepele beweging op het dek en reikte voorovergebogen beide handen naar Een en Ander. Met een krachtige haal trok hij beide op het dek. Dat was een staaltje goede samenwerking, vonden de meisjes, kwam natuurlijk ook omdat zij flink atletisch waren en als bij judo meegaven, daarom was het voor Heiko minder zwaar haha! “Dat moeten we vaker doen, hier in de avondzon zwemmen, vind je ook niet zusje? het is hier erg mooi, het water bijna net zo fijn als de zee.” Ze sprongen wat op en neer om de waterdruppels af te schudden, ze wreven zich over de armen, streken over elkaars rug, van boven naar beneden, rondden af met een kameraadschappelijke pets op de billen. Zullen we jou ook een beetje droogdeppen, vroegen ze Heiko, maar die droogde zich met een hoekje van de handdoek al rudientair af, gaf ‘m schielijk aan de meisjes in reactie op hun vraag. Zullen we je rug doen, daar kan je zelf niet bij, en meteen gingen vier handen over zijn rug. Hij schoot weer vol, staarde verloren over de hem zo vertrouwde plas, hij was zijn zelfbewuste ik opnieuw kwijt. De meisjes gingen onverstoorbaar verder met hun handen-droogwrijf-exercitie, de handdoek werd spaarzaam ingezet op een plek waar het water blijft hangen. Bij de billen aangekomen gaven ze een licht klapje, zo de rest kan je zelf doen zeiden ze opgewekt. Ze kleedden zich zwijgend aan, Een humde een vaag bekend liedje, uit een van hun musicals? Afijn, de stemming was weer goed, Heiko had zich hernomen. Hij haalde het anker op en startte de electromotor, de wind was pleite.
“Joh, je hebt alles, je bent op alles voorbereid, petje af hoor, complimenten”, zei Een terwijl het bootje geruisloos over de rimpelloze plas gleed. Alleen als je met je hoofd over de reling hing om de zilverglinsterende golfjes van de romp te zien glijden hoorde je het lichte getinkel van het water. “Wat is de natuur toch mooi”, zei Een, “maar ook een beetje luxe zo, vind je niet? Is het een luxe om van de natuur te kunnen genieten, wat vind jij, zusje?” Die staarde peinzend naar de blauwe lucht, waarin roze tinten explodeerden, het gevolg van de rode achter de einder zinkende zon. “Avondrood mooi weer aan boord, zo is het toch? riep Ander blij, “en ja het is natuurlijk een grote luxe om hier te zitten en te genieten hoewel van een ijsje kan ik ook gewèldig genieten en je hebt er ongetwijfeld heel hard voor gewerkt Heiko, hebben wij er ook hard voor gewerkt zusje? om hier te mogen zitten? Ik twijfel. Natuurlijk werken wij ook hard, ook nu zijn we toch enorm leuk gezelschap voor onze gastheer, we maken samen toch een feestelijke stemming? En de natuur helpt ons daarbij. Nou ja, feestelijk, sereen zou ik eerder zeggen, en esthetisch onovertroffen.”
De zusjes voerden zo een ongedwongen dialoog met elkaar, Heiko kon niet anders dan hen met bewondering aanhoren. Ze naderden de haven, Heiko haalde van onder de buikdenning de stootwillen tevoorschijn, hij legde de landvasten alvast klaar. Behendig en secuur stuurde hij zijn bootje in de box. De meisjes keken oplettend toe hoe hij dat deed, “dat heb je vaker gedaan jongen, chapeau hoor. Heb je ook een kapiteinspet by the way? Zou je goed staan schatten wij zo.” “Ja schatten zijn jullie,” riposteerde Heiko terwijl hij de landvasten losjes over de bolders wierp. In een wip lag de boot op de vertrouwde plek. Hij deinde een beetje na van het naar voren en naar achteren lopen bij het op lengte brengen van de lijnen. De meisjes zagen het allemaal zwijgend aan, een zekere bewondering voor Heiko’s boothandling, zo duidelijk was het dat ie precies wist wat ie deed, een zekere bewondering en waardering kwamen bij hen op, onwillekeurig, voor deze voordien onbekende man die hen op een onverwachte plek uitnodigde voor een zeiltochtje in de avondzon. Een harde knakker, dat moest ie wel zijn, als je geld met geld maakte, of een cynicus die neerkeek op het gepeupel dat niet zo handig was in het geld scheppen ten koste van anderen. Deze man had iets in de vingers, hij kon iets dat weinigen kunnen, dat maakte hij te gelde. Hij kon bovendien zeilen, belangrijker, hij kon er van genieten. De meisjes namen het met stijgende verbazing waar. Zij waren voorbereid op een boottochtje en een sloepje en lekker weer en een tas met een kaasje en een broodje een fles wijn en wat er verder op een mooie avond kon gebeuren. Maar niet op de elegantie en schoonheid die Heiko hen schijnbaar belangeloos voorschotelde. Hij wilde prettig gezelschap en had het gekregen, zij hadden die rol met verve gespeeld. Faire deal zou je zeggen, maar er was meer. “Zeg Heiko,” zei Een, “laten we nog even blijven, eens zusje?” Ander knikte, benieuwd naar waar Een op aanstuurde. “We zijn mekaar volkomen toevallig tegen het lijf gelopen, wat heeft je bezield om ons uit te nodigen voor dit boottochtje, waarvoor we je overigens zeer willen bedanken nietwaar zusje?” zusje knikte instemmend, ze waren erg benieuwd naar wat Heiko te zeggen had, “ik bedoel, wie had kunnen voorzien dat wij in zoveel schoons zouden worden ondergedompeld?” Heiko pakte een waterflesje en nam een teug. Hij ging op het bankje bij het roer zitten, de meisjes hingen zo’n beetje over het gangboord en monsterden het water. Een draaide zich om, “zeg eens, wat maakt dat je tikt zoals je tikt?”
Op deze vraag was hij niet voorbereid. Hij was wie hij was, dat was nou eenmaal zo. Tevreden met zichzelf, ach ja, soepel in de omgang, heel prettig en handig als het zo uitkwam, een goed en snel werkend verstand, zijn ouders hadden hem met heel wat kwaliteiten op de wereld gezet. Niettemin had ie soms last van enig onbehagen. Hij zag wat er in de wereld gebeurde, rijke landen bleven rijker worden ten koste van arme landen, fossiele brandstoffen bleven ongeremd in de fik gestoken. Hij zag ook dat er al lang een kentering in de mondiale verhoudingen gaande was. China, India, Indonesië willen ook een stuk van de welvaartstaart. Wie geeft ze ongelijk, goed voorbeeld doet goed volgen, heeft het westen het ongeclausuleerde voorrecht om zich hemmungslos ten koste van de rest van de wereld te verrijken? Zoals ze eeuwenlang gedaan hadden en krampachtig proberen in stand te houden? Waarbij het westen niet zozeer nog rijker wordt, maar het de rijken en de zeer rijken zijn, samen met de ICT- en internet- en oliemonopolies. En daar zijn de zeer rijken dan weer de eigenaar van. De rest van de wereld wordt armer, los van een kleine groep vazallen, zeg 10% van de totale bevolking, die wel hun vermogen en welvaart zien groeien, de waterdragers van de heel rijken en machtigen. Was hij zo’n waterdrager?