Tredmolen 1

De man stommelde het lokaal in, ”het is weer kutweer vandaag, goeiemiddag nochthans.” De  oude mannen aan wie de groet was gericht hieven halfslachtig het glas ter begroeting, ze staarden zwijgend naar het midden van de tafel waar een leeg bord de ruimte domineerde, een half leeg potje mosterd stond er verloren naast. Hij knikte met een glimlach naar het meisje achter de toog. Zij gaf ‘m een geroutineerde lach terug, terwijl ze het kelkje dat voor ‘m klaarstond inschonk, tot over de rand zonder te morsen, precies zoals het hoorde. Hij hief het glas met vaste hand naar zijn lippen, nam de eerste slok en liep naar de tafel waar de mannen een stoel voor hem naar achteren schoven. ”Geen bitterballen vandaag? Of ben ik te laat?” Hij keek met een schuin oog naar het lege bord, hij was er niet gerust op. ”’Je bent te laat en we zeggen geen kut in het bijzijn van dames. Wil je je inhouden?” De dame in kwestie trok een brede grijns, ”ik kan het hebben mannen, ik ben erger gewend.” Ze lachte hen ongedwongen toe, ze kende hen, zij kenden haar. ”’Ja, in die andere tent waar je werkt, maar daar komen wij niet, netjes opgevoede jongens komen daar niet, dat mag niet van maman, wij houden de handen boven de dekens,” repliceerden ze mokkend. Er klonk een ondertoon van spijt in door, zij zouden wat graag naar dat etablissement gaan, maar ja, hun reputatie, en de stad was klein als het daar over ging. Ook als het over andere zaken ging overigens. Het nam niet weg dat ze razend benieuwd waren naar de habituées van die tent, reputatie nietwaar? ”Brave mannen jaja, ik geloof er geen bal van, maar goed, als jullie het zeggen.” Zij trok er een serieus gezicht bij en keek hen verwachtingsvol aan. Voor haar waren de middagen in het café een verzetje, naast het wel degelijk inspannende werk ’s avonds en ’s nachts als ze goed op haar qui vive moest zijn, en blijven, tot de laatste klant de deur uit was gewerkt. ”Kut en bal, wat een taal, zo gaan wij toch niet met elkaar om?,” werd uit de groep schijnheilig geroepen. Daar werd gretig op ingehaakt: ”nee joh, maar tietenkont, dat moet kunnen, toch? We zijn toch geen mietjes?” ”Uhh, moeten we daar op antwoorden? Dat is toch een privézaak, we respecteren toch iedereen zoals ie is? Daar gaan we toch niet over zeiken?” ”Iedereen mag zijn wat ie is of wil zijn, want tegenwoordig is het al zo dat iemand vandaag is wat ie is, en morgen of overmorgen of ooit ontdekt dat ie anders is dan ie was; moet kunnen, toch?” De spreker leunde zelfvoldaan achterover, dat had ie mooi gezegd, hij was benieuwd wat er geroepen ging worden. ”Licht wijsneuzig, maar je hebt een punt,” reageerde de laatst binnengekomene, ”’intussen, komen er nog bitterballen? Ik heb wel trek.” ”Jij hebt altijd trek, maar toevallig ik nu ook. Hoe is het met jullie?” Er werd instemmend geknikt en onverstaanbaar gemompeld, ”nog een rondje bitterballen,” werd naar het meisje achter de bar geroepen, die al van onder de toonbank de bak met bitterballen uit de diepvries had gevist. ”Hoeveel de man willen de mannen?” vroeg ze, wetend dat het totaal 2,5 bal de man zou worden. Maar het zorgde altijd weer voor een chaotisch overleg dat altijd uitmondde in de gezamenlijk genomen beslissing: 2,5 bal chaque de man.