Tredmolen 2

”Goedemiddag mannen, het is weer een mooie dag vandaag,” instemmend rumoer weerklonk, Hendrikje zwoei vanachter de toog. ”Zeg eens, hebben jullie een mening over die oorlog ver weg in Europa?” Een onmiddellijke zwaarte viel over de tafel, Hendrikje keek gealarmeerd. Een langdurig zwijgen volgde, de mannen staarden naar het kleedje voor zich op de tafel, de stemming was meteen onder nul.

”Daar kan je nou wel lacherig over doen en proberen er een geintje van te maken en denken als we er een bagatel van maken wordt het vanzelf minder bedreigend, maar denk je dat dat een oplossing is?” Iedereen keek op, ”nee! we gaan het zeker niet als een grap behandelen, stel je voor, daarvoor is het onderwerp te ernstig. Maar moeten we het wel bespreken? Die hele oorlog is toch een geweldige spelbederver, daar kunnen wij toch niets aan doen?” Instemmend gemompel, een zekere opluchting volgde, het glas werd naar de lippen gebracht, ”nee daar kunnen wij helemaal niks aan doen, het is ver weg, het is niet onze oorlog, hoe kan je een sentiment dat wij niet begrijpen nou beïnvloeden? En moeten we dat wel willen? Het is toch niet onze zaak?” Daar werd door de mannen op gekauwd, op de borrel ook en het laatste kauwen maakte het eerste minder zwaar, ”het is niet onze zaak, moeten we ons daar dan wel mee bemoeien?” ”Je ermee bemoeien zijn te grote woorden, dat kunnen we helemaal niet.” De stemming pendelde terug naar koel, de mannen werden onrustig, ”daar hebben we toch onze politici voor, daar hebben we ze toch voor gekozen, om zulke problemen voor ons op te lossen nou ja, te tackelen?” ”Dan moet je het zeker hebben van de adepten van zekere grote leider die in hun apologetische verklaringen zodanige niet te volgen wartaal uitslaan dat je het zou kunnen negeren, ware het niet dat het  volksvertegenwoordigers zijn die ook een recht erop hebben een scheet te laten. Bovendien worden ze door het apparaat van de grote leider betaald, o pardon.” ”Nee nee nee, daar gaan we het niet over hebben dat is allemaal speculeren, dat weten we gewoon niet.” ”We willen het niet weten bedoel je, ik zou wel willen weten waar de politici het geld vandaan halen om al die zwakzin massief te kunnen vermarkten, het is toch heel eenvoudig om van politieke partijen een boekhouding te vragen, met staatjes van inkomsten en uitgaven? Het zijn toch organisaties die de publieke zaak dienen? Dan mag je toch weten waar ze hun centen vandaan halen? Toch? Zeker als ze geen leden hebben. Het zijn allemaal grote sjoemelaars, in elke politicus zit een kleine krabbelaar, en ze weten het allemaal!” De sprekerd wond zich enorm op, de rest ontspande, het gesprek had zijn normale loop hernomen. ”Nog eens bijschenken mannen?” Hendrikje bewoog zich als een hinde zo licht naar de tafel, de glaasjes werden bijgevuld. ”Klaverjasje, mannen? Zal ik de kaarten halen?”