Tredmolen Daadkracht in Den Haag

De onopvallende man stommelde het café in, door de gordijnen een lauwe lucht als een natte dweil achter zich aan slepend. “We moeten het over de politiek hebben, er gebeurt geen reet daar in Den Haag.” De kordaatheid waarmee hij het zei suggereerde dat het anders moest. “Oh ja?, hoe dat dan?” De vraagsteller staarde sceptisch over z’n borrel naar het tafelkleed, hij zag niet veel in een discussie over dit brenzliche onderwerp, maar ja, er gebeurde inderdaad niks in Den Haag, al meer dan honderd dagen niet, wat overigens bij lange na geen record was, maar goed, wie weet, er zijn mensen die fabuleus goed op hun handen kunnen zitten, en daar wist de laatstbinnengekomene alles van. En dan weet je nooit of zo’n tiep niet een goede analyse in huis heeft, bedacht hij. Dan zou het toch nog een aardig gesprek kunnen worden.

De onopvallende man was intussen gaan zitten en staarde veelbetekenend naar Hendrikje, die al met de fles klaar stond, een tulpje pakte en naar de tafel liep. De rest zat er een beetje mat bij, het vochtige te warme weer kon ze niet bekoren, integendeel. En het leek wel of het vocht in de botten trok,terwijl het daarvoor veel te warm was, afschuwelijk. “Wat dacht je trouwens van een voormalige president die het bestaat om op een rally een half uur, een half uur! groots te lullen over de lul van een al jaren onder de zoden liggende footballlegende die, zo meende die voormalige president stellig te weten, hij wist het niet uit de eerste hand want een professionele footballplayer was ie nooit geweest, zoals hij heel veel in zijn leven nooit was geweest, maar uit de tweede hand of de derde hand wist hij te melden dat het apparaat van die footballplayer werkelijk riesig was geweest. En de paar honderd trouwe aanhangers die die rally bezochten, die konden het wel hebben, dat infantiele geouwehoer over een kennelijk legendarische dikke lul.” “Drie bier!”, brulde de tafel die zijn klassieken kende, “7bier”, zei de precieze die kon tellen. “Hendrikje, 7 bier en schenk de glaasjes ook even bij.” Hendrikje ging aan de slag. Ze had er niet zo veel zin in vandaag, ook zij had last van het weer, het klopte gewoon niet, en er was het akkefietje met de benedenbuurvrouw dat moest worden getackeld, alleen, ze wist niet hoe. Ze dacht ‘ik doe m’n werk en ik doe het netjes, dan hebben we dat straks achter de rug’. De tafel schreeuwde intussen verhit door mekaar heen, iedereen had wel wat te roepen over die oude man die zo bezeten was van de pik van een allang onder de zoden liggende sportman. “Die vent leeft toch in het verleden! Ik heb gehoord, heb van horen zeggen, dat ie allang niet meer weet welke dag het is. Nou, dan weet je het wel.” De spreker leunde tevreden achterover en nam een slok.

“Ja, dat kan je wel zeggen, maar als ie verkozen wordt, niet denkbeeldig vrees ik, dan heeft de hele wereld en niet alleen het land van de onbegrensde mogelijkheden in het hier en nu en voor de komende 4 jaren, als ie niet voordien het loodje legt of de weg kwijtraakt, met hem te dealen. En overigens verdenk ik ‘m ervan dat ie eigenlijk liefst bij de door hem vereerde footballplayer in één kist zou liggen, want je weet: waar het hart vol van is …” 

“Hadden jullie het niet over de stand van het land in Den Haag?”, vroeg Hendrikje die helemaal geen zin had in oude mannen die zaten te vitten op een ouwe man, hoe miserabel die ouwe man in dit geval ook was. “Wat ik zie en hoor is dat er veel wordt geroepen daar, wat dan liefst nog dezelfde dag, maar het kan ook later, wordt herroepen, of het wordt ontkend dat ze ook maar iets zouden hebben gezegd, en intussen hebben ze het wel gezegd en recirculeert de pers eindeloos wat er is gezegd en teruggetrokken. Of ze springen bovenop wat bij nadere beschouwing een bagatel blijkt, of gewoon onzin, ook dat weet de pers haarfijn te ontrafelen. Alsof dat zo’n kunst is.” Het was een tikje brutaal, wat ze had gezegd, maar goed, het was gezegd en ze meende het. Ze ontspande, ze begon de dag weer leuk te vinden.

“Dat van die maar wat roepende politici is een waar woord, en er is geen partij daar in Den Haag die zegt ‘dit is allemaal bullshit wat jullie daar debiteren, daar gaan we niet op in, wij willen weten wat gaan jullie eigenlijk nou doen?’ Want ik ben het eens, ze doen geen reet.” “Sterker, ze doen geen reet omdat ze niks mogen, van de grote roerganger, zijn kamerleden mogen niet eens het politieke handwerk leren, waartoe ze als gekozen volksvertegenwoordigers toch verplicht zijn, zou je denken. Zo niet volgens hun grote baas en vernieler van de democratie, die laat zijn fractie zich gedragen als uitvreters, als profiteurs en rovers van de staatskas, wat ze ook zijn. Geen hond van die fractie is er als er in de 2e kamer debatten aan de gang zijn over onderwerpen die hun baas zo na aan het hart liggen. Zitten ze genoegelijk thuis bij moeder de vrouw en spelen wat met hun dickie? We weten het niet, en eerlijk gezegd wil ik het niet weten. Bah!” Het werd een heksenketel, de ruiten raakten beslagen, de damp van de hete olie sloeg uit de pan, en Hendrikje was zo geconcentreerd bezig dat zij geen tijd had zich druk te maken over haar muizenissen.