4 De innerlijke mens

Een draaide de auto behendig de oprit op, het was een vrijstaand huis en er lag een riante tuin omheen. “Jeetje je woont helemaal niet verkeerd hier Heiko! Man, wat een tuin, een oase in asfaltland! En de bomen, geweldig dat je die ook hebt, bomen zijn er voor de volgende generaties. Zal ik de wagen hier neerzetten?” Een stuurde op de onopvallende carport aan die zo’n beetje onder de weelderige bruidssluier was verstopt. Ze stapten uit, Heiko opende de voordeur en liep direct door naar de open keuken, waar hij de mand op het aanrecht zette en de schuifdeur naar het terras opentrok. De lage zon stroomde naar binnen en zette de keuken in het aarzelende licht even na de zonsopgang. Terwijl Heiko druk was met het ontbijt drentelden de meiden door de royale woonkamer, de handen op de rug. Ze bewonderden een tekening aan de muur, pakten een voorwerp uit het wandmeubel dat rijkelijk met boeken was voorzien. Na het object te hebben bestudeerd zetten ze het voorzichtig terug. Ze lieten de kamer op zich inwerken, de bank de stoelen de eettafel, de houten vloer, alles was met gevoel voor harmonie ingedeeld; ja, dit was een ruimte waar je graag was, misschien een tikje sober, maar alles wat een woning comfortabel maakt was er. De grote raampartijen brachten prettig licht in de kamer, wat vooral fijn is aan de ogen in het donkere jaargetijde maar evenzeer op een vroege zonnige ochtend zoals nu. De grote schuifdeuren zorgden voor een vloeiende overgang tussen binnen en buiten. De kamer straalde rust en evenwicht uit, alles had zijn plaats, mooie dingen waren als vanzelfsprekend gemengd met het comfortabele. Het uitzicht naar buiten gaf door de achter in de tuin staande zon een donkere Scherenschnitt, het groen van de bomen en struiken neigde naar zwart en gaf een scherp contrast met de vaalwitte hemel. Ze liepen het terras op en maakten een rondje langs de borders. Veel afwisseling in struiken, sommige bloeiden, andere toonden hun bessen, de verschillende kleuren groen; als je er met je neus bovenop stond wedijverden ze met de beste impressionisten. Nijvere vogeltjes vlogen af en aan en alles voltrok zich in een volmaakte rust. In de hoek achterin ontwaardden ze een moestuin, daar hadden ze niet zoveel verstand van, maar er was ook een kruidentuin en dat maakte hen een beetje jaloers, koken met groene kruiden gaf altijd zo’n zomers mediterraan tintje en ze kookten graag. Eigenlijk gaf de hele tuin je een mediterraan gevoel, de rust, de warmte, de droge kleuren die je in dit zompige land eigenlijk niet verwachtte. Ze keerden terug naar het terras en liepen de keuken in waar Heiko druk in de weer was met de koekenpan. De geur van het uitgebakken spek maakte de meiden pas echt hongerig, “jaahh, dat ruikt goed Heiko, jij weet hoe je eieren moet bakken, chapeau hoor. Kunnen we wat doen? Borden pakken, bestek, servetje, iets te drinken, boterhammen en boter? Zeg het maar.” “Lief aangeboden maar dat doe ik zelf sneller, ik weet de weg, maar je kunt uit dat laadje daar een onderzetter pakken, de eieren zijn klaar.” Heiko schudde de pan even flink heen en weer om de eieren los van de bodem te houden. Hij griste de benodigde spullen uit de kastjes en laden, nam het oppiepbrood uit de oven en zette de pan op tafel, 6 eieren met spek, de dooiers mooi glanzend, het eiwit aan de onderkant knapperig licht bruin verbrand en rond de dooier net niet gestold. Perfecte eieren kortom en toen ze eenmaal zaten schepte Heiko voor ieder 2 eieren uit de pan, “dames, dat het jullie goed moge smaken, tast toe.”

Hap, schrok, zo moet het er voor een beschouwer hebben uitgezien. Drie mensen die als hongerige wolven aanvielen, zich concentrerend op het doorsabelen van de boterhammen en het spek, de happen met ijzeren regelmaat naar binnen werkend. De noeste arbeid straalde er van af, en “heb je misschien ook wat te drinken erbij Heiko? Je krijgt dorst van het spek en het vele praten. Een klein slokje prosecco of een fijne Riesling? We moeten de keel wel blijven smeren, anders droogt alle creativiteit op en blijven we met een kater zitten. Dat willen we niet, daarvoor was en is de dag veel te mooi. Wat dacht je, heb je nog wat in de kast?” Alles op luchtige toon, het was een merkwaardig lichte stemming waarin ze verkeerden, en ze deden er geen moeite voor. Heiko opende een deur in de keukenwand, erachter was een flinke wijnkoelkast, ook dat had ie goed voor elkaar. Hij pakte een champenoise en schonk drie royale glazen in. Ze hieven het glas, het was alsof ze elkaar al eeuwen kenden. De parelende wijn spoelde de monden schoon, in de magen werd alles zachter. De meiden keken nog eens de kamer rond, de zonnestralen door de open deuren verwarmden hun huid. De tuin, de vogels, ja dit was verdomd een fijne plek om te wonen. Als afgunst een onderdeel van je systeem was zou je een zweem van jaloezie maar moeilijk kunnen onderdrukken. Maar daar hadden ze geen last van, dus gooiden ze het over een andere boeg. “Is dat nou duur, zo’n bedoeninkje in de lucht houden? Nee, da’s een onzinnige vraag, dat snappen we zo wel. Maar is het soms niet een beetje eenzaam hier, zo in je eentje? Ik bedoel, zo’n groot huis, daar kan je in dwalen en je komt niemand tegen. Vlieg je dan niet af en toe tegen de wanden op?” Een stopte abrupt met praten. Ze realiseerde zich een impertinente vraag gesteld te hebben en om zich een houding te geven keek ze een beetje streng terwijl het rood naar hals introk, maar dat zag je niet, te veel zonnebrand hadden ze de vorige dag opgelopen. Maar Heiko nam het helemaal niet zwaar op. Hij had de vraag zien aankomen en er een braaf harmlos antwoord op bedacht, zoals hij het in normale omstandigheden gewend was om lastige persoonlijke vragen onschadelijk te maken. En ze waren verder in de tijd, driekwart dag zo ongeveer, hij had allang geen zin meer in antwoorden in frazen en floskels, het zou de stemming in een klap verpesten. Bovendien had hij zich zo kort na de eerste kennismaking gistermiddag al zo veel meer bloot gegeven en hij was er niet voor afgestraft en hij had geen spijt van zijn openhartigheid, integendeel het luchtte op. Het had ‘m in een nieuwe dimensie van in het leven staan gebracht, en daar wilde hij nog even blijven. Dus “ja, soms mis je iemand met wie je kunt praten. Dat is gewoon waar. Maar ik heb muziek, en boeken, en m’n tuin, een goed glas wijn, daar red ik het mee.” Hij zweeg even, nam een slok van de wijn, hield het glas tegen het licht, ja, ook van de omhoog parelende bubbels in het glas kan je ongegeneerd genieten. Dat is gewoon zo. En het is ook zo dat ie een te gelikt antwoord had gegeven. Want ja, hij miste wel degelijk regelmatig iemand met wie je momenten kunt delen, als je in het theater naar een ballet kijkt en je merkt dat de dansers zó geconcentreerd en mooi en in een tijdloos hier en nu in hun uitvoering zitten dat er in de zaal een magie ontstaat, dat jij als kijker persoonlijk je voor één langgerekt moment één voelt met de dansers op de toneelvloer. Ja, zo’n moment zou hij dan dolgraag met iemand delen, erover praten hoe een danser je zo in vervoering kan brengen. Hetzelfde had hij als muziek ‘m in zijn ziel raakte, of een gedicht of verhaal, dan was er de sterke behoefte om daar over te praten, om de ontroering of het ontzag voor wat hij voor een meesterwerk hield te delen. Over die momenten wil je dan praten, het enthousiasme en de bevlogenheid wil je dan delen. Ja, zo was dat. Maar hij had het niet gezegd. “Ik zei net dat ik soms iemand mis om mee te praten, maar dat is niet het hele verhaal; het gaat er ten diepste om, denk ik, dat je momenten van ontroering en van schoonheid kunt beleven, en dat je die gevoelens dan met een ander wilt delen, en dan hoop je natuurlijk dat die ander eenzelfde sensatie heeft ondergaan als jij. Dat is denk ik de essentie van het leven: delen. Naast werk, een belangrijke levensvervulling, is er de schoonheid, in de natuur, schoonheid door kunstenaars geschapen; het is een kunst om er van te kunnen genieten, dat kan je leren en dan wordt het een kunde, en het is een kunst om samen te kunnen genieten. Dat kan je ook leren. Samen genieten is altijd een groter genoegen, of genot om in termen van de epicuristen te blijven, dan alleen genieten.” Een sprong op, “dat herkennen we heel goed Heiko, wij zijn dan wel meisjes van de revue, even het serieuze eraf halen, maar wij kennen dat gevoel, dat je als op vleugels boven de dansvloer zweeft, dat alles klopt, dat er chemie ontstaat tussen de dansers en de zaal, het publiek. Soms weet je dat er iemand in de zaal zit die jou nauwlettend volgt en soms ontdek je die toeschouwer maar vaker ook niet, en dan worden ook wij opgetild in het moment. Ja, dat is groots, als dat gebeurt, en het is misschien een beetje pathetisch, maar daar doen we het voor, daar kunnen wij ons geweldig aan laven.” Brede armbewegingen terwijl zij sprak, glinsterende ogen in een intens gezicht waren op Heiko gericht. Die kon zich nu even niet inhouden, er schoot een brok in z’n keel, hij legde zijn handen op tafel, keek de meiden aan, grote dankbaarheid sloeg als een golf door ‘m heen. Hier gebeurde iets, met twee mensen die hij een dag geleden nog niet kende, iets waar hij diep in zijn hart zo naar verlangde, een moment van eenheid in beleving met de ander, met twee anderen. Zo kort als zij elkaar nog maar kenden, zo intensief ervoer hij het samenzijn met hen. Ze bleven stil, trachtten te begrijpen wat er gebeurde. Na een kort ogenblik dat een eeuwigheid leek, “wat denken jullie, je hebt mij een dag gezien en meegemaakt, leid ik een gelukkig leven?” Het was, bij nadere beschouwing, een doodenge vraag. Hij legde zijn hoofd op het hakblok, leverde zich over aan de willekeur van de goden, wat bezielde ‘m? Nou, enigszins calculerend was het wel. Hij wilde weten wat de meiden van ‘m vonden, zonder schone schijn en vlijerij, gewoon een eerlijk antwoord. En hij schatte in dat hij dat van hen ging krijgen, en hij nam het risico van een hem onwelgevallig antwoord op de koop toe. Hij stond versteld van deze mengeling van ratio en emotie die hem op dit moment trof, hij die anders deze zaken zo goed uit elkaar kon houden, evenwichtig als hij was en beducht voor verlies van controle in zo’n situatie. Hij ging enigszins verzitten, keek de meiden aan, “jongens, voor dit moment; op het goede leven!” “Op het goede leven!” Ze hieven het glas, klonken op elkaar,  ze klonken op het leven, er was een grote saamhorigheid daar aan de eettafel, tederheid sloop op hen toe. Ander pakte Heiko’s vraag op, ze keek ‘m recht aan, “wij denken dat je een behoorlijk gelukkig mens bent, Heiko. En we zien dat je er moeite voor doet, niet zozeer in het werk, dat gaat je denken we makkelijk af, het kost je geen bovenmatige inspanning vermoeden wij. Je doet moeite om netjes te leven, je zoekte het goede, en het schone, en je bent eerlijk naar jezelf en zonder dat zul je het geluk niet vinden. Dus de voorwaarden voor een gelukkig leven zijn er in ruime mate, zo schatten we dat in. Maar beantwoord de vraag zelf eens, hoe zie jij dat? We zijn in een openhartige bui, spreek je uit asjeblieft.” Ander wendde de blik van Heiko af, ze keek recht voor zich uit, wachtte op zijn antwoord. De zonnestralen warmden haar rug, behagelijke warmte omhulde haar. Een zekere loomheid dreigde hen in te palmen, het stevige ontbijt, de doorgehaalde nacht, de parelende wijn, maar ze waren nog niet zover, er moesten nog dingen besproken, uitgesproken worden. Die noodzaak voelden ze allen, al hadden ze geen idee wat ze daar nou precies mee bedoelden.

Heiko was stil. Hij overdacht wat ze zojuist aan elkaar hadden toevertrouwd, in een zekere losse sfeer, dat hielp, maar toch. Hij liet zijn leven van pakweg de laatste 20 jaar de revu passeren, het leek ‘m dat het niet slecht was geweest. Dat was het natuurlijk niet, slecht, als je in ogenschouw nam wat hij in die tijd had gepresteerd. Tegelijkertijd scheen het hem toe dat het bewustzijn van het eigen zijn, van het in het leven staan, in het hier en nu, in zijn eigen keuken en huis, nu, op dit moment, plotseling scherper was geworden. Het zich zo hevig bewust zijn van zichzelf, terwijl hij daar aan de tafel zat, in het zonlicht kijkend; het voelde als een vorm van verlichting, alsof hij door een vertraagde blikseminslag was geraakt die niet verwondde, die eerder ertoe leidde dat hij door een vergroot zelfinzicht meer vrede met zichzelf kreeg. Zo scheen het hem toe, hij begreep het ook niet allemaal. Hij meende dichter bij zijn kern te zijn gekomen, een beter begrip te hebben van wat hij in de grond nou echt wilde, waar hij diep in zijn ziel naar verlangde, wat kortom belangrijk was in het leven; een besef van wat de essentie van het bestaan zou moeten of kunnen zijn. Evengoed kon hij door vermoeidheid en de intense indrukken in de afgelopen uren en doorgehaalde nacht aan het hallucineren zijn geslagen. Daarbij; aan deze staat van verlicht zijn hing natuurlijk een onderdrukte angst voor autonomieverlies en evenzeer de angst door al te hevige emoties te worden verzwolgen. Daar was hij van nature beducht voor. Maar hij voelde zich ongewoon goed, en dat gevoel wilde hij vasthouden, dat moment van intens gelukkig zijn, in een dimensie die hij niet kende; dat wilde hij vasthouden, al was het voor een ogenblik. En ervan dromen dat het eeuwig zou mogen voortduren. Maar over iets dromen en tegelijk over datzelfde iets hyperalert nadenken, dat gaat niet samen. Droom en werkelijkheid zijn verschillende werelden, dat wist Heiko heel goed, het was ook de basis voor zijn materiële en door de buitenwereld bewonderde succes. Hij besloot: dromen kan je altijd, om het moment vast te houden moet je echt in het hier en nu handelen, dus “weet je wat het is, dat materiële, dat heb ik zelf opgebouwd, met een beetje hulp van mijn ouders die me een startkapitaal meegaven. Ja, dat voorrecht had ik, daar valt niets op af te dingen. Het helpt als je een goed verstand hebt, je leert makkelijker, het zorgt er ook voor dat je politieke en maatschappelijke bewegingen sneller registreert, je doorgrondt beter waar mensen werkelijk behoefte aan hebben. Misschien moet je voor het laatste ook interesse in de mens hebben, willen begrijpen wat hem beweegt. In mijn werk gaat het om geld of een advies hoe met geld om te gaan, zodat het meer wordt. Ik heb in al die jaren ook geleerd dat het een menselijke trek is om als je iets bezit van dat bezit meer te willen maken. Dat zit er bij veel mensen stevig ingebakken. Je ziet het in het openbare leven, mensen die succesvol zijn in het zakenleven willen altijd meer. Politici die macht verwerven willen meer macht. Meer waartoe? Dat is dan weer een vraag die minder makkelijk beantwoord wordt. Macht speelt een rol, een grote rol als je ziet wat de heel rijken, de kleptocraten, allemaal niet doen om hun naar-zich-toe-hark-gedrag nog effectiever te maken. Dat lukt alleen als je roof quasi legaal op nog grotere schaal kunt toepassen. Schaalvergroting, dat begrip hoor je nooit meer, wordt het nog gebruikt? Ja, het wordt nog gebruikt, door de grote industrieën die fabrieken sluiten en de productie naar elders verplaatsen, waar de lonen lager zijn. Dit terzijde. Maar voor het roven op heel grote schaal heb je de politici tevens autocraten dictators in spe nodig. In zeker land is er een man die zijn vermogen met bedrog en verraad heeft opgebouwd, dat kan, hij is niet de enige. Hij heeft door dat vermogen een flinke dosis bluf geslagen en we weten niet eens hoeveel, maar dat hij minder rijk is dan hij altijd heeft gesuggereerd lijkt aannemelijk. Deze man wil, nu hij zowat de absolute macht te pakken heeft gekregen, ook meespelen in de liga van de allergrootste rovers, en hoe dat spel precies in zijn werk gaat weten de echt grote kleptocraten die in pakweg een half mensenleven of nog korter hun status van superrijke zonder enige wettelijke hindernis hebben bereikt haarfijn. Want zo immens rijk word je niet zomaar, dat word je niet vanzelf, anders was de bijna absolute heerser ook wel zo rijk geweest. Is ie niet, en dat steekt enorm. Hij kan het niet hebben dat iemand anders iets heeft wat hij niet heeft. Vroeger speelde hij mee dankzij die geweldige dosis bluf die hij door zijn verhaal had geklopt, of dacht dat hij meespeelde, en soms werkte het, vaak genoeg ook niet, en het heeft ‘m naar het schijnt meermaals op de rand van de armoede gebracht; te hoog gepokerd. Maar nu, nu die groep kleptocraten zijn nabijheid zoekt, nu ruikt hij zijn kans om van die gasten het spel van het maximaal manipuleren van beurzen en cryptomunten te leren. En reken maar dat hij in deze tijd heel veel leert.” De meisjes zakten ernstig weg. Al dat georakel, over een onderwerp dat hen echt niet boeide, het kon allemaal waar zijn maar wat zou het? En Heiko zag het, hij zag de aandacht bij de meiden wegdrijven en realiseerde zich ‘ik zit hier weer te zwatelen en te zwetsen, alles om maar niet bij de kern van de zaak hoeven te komen!’ Veilig terrein want hij wist heel aardig waarover hij het had, veiligheid boven alles. Terwijl, daar ging het toch allemaal niet om? In een veilige modus kwam je nergens. Ineens overviel hem het oude vertrouwde bijna vergeten gevoel uit zijn puberjaren, dat gevoel ergens naar op zoek te zijn, iets heel sterk te willen, zo sterk dat de angst ‘m om het hart sloeg want stel dat waar hij zo hevig naar verlangde ook geschiedde? Een totaal nieuwe wereld zou zich aan hem opdringen. Met consequenties die hij helemaal niet kon overzien. Maar hij wilde het ongelofelijk sterk, en dorst niet. Hij had niet het lef om door te zetten, wat natuurlijk wel zo goed was, hij reikte in die tijd naar de volwassenheid, was daar in het geheel niet voor toegerust. Andere wereld. En hij hing er tegenaan en wist niet hoe daar mee om te gaan, hij was in het in between gevangen. De drang iets te forceren, en er voor terugdeinzen, ook omdat je zoiets samen zou moeten doen, samen een vlucht naar voren, een gezamenlijke toekomst maken. Voor dat samen was het brein op dat moment helemaal niet ingericht, noch kwam het bij hem op dat hij de ander wilde overtuigen van een toekomst die primair was gebouwd op zijn eigen egoïstische gedachten. En daar zou de ander zich naar moeten voegen, wilde zo’n sprong in het heel diepe willen slagen, en die gedachtensprongen naar de werkelijkheid vertalen, daar was hij toen helemaal niet in staat. Maar vooral was er de angst dat je iets onherstelbaar stuk zou maken, dat je in je dadendrang te ver zou gaan, zonder rekening te houden met wat de ander wilde. Daar deinsde hij indertijd voor terug. Bovendien: vragen om liefde en de kous op de kop krijgen, de gedachte alleen was een verschrikking die hij zichzelf niet wilde aandoen; de angst voor afwijzing was te groot. Wat je jezelf eens hebt aangeleerd zal lang je gedrag blijven bepalen. En zo zat hij in zijn eigen web, uit verlangen en boosheid gespannen, en hij wist niet hoe daaraan te ontsnappen. Hij was moe, zijn gezelschap stond op het punt van omvallen, de schijn van een succesvol leven leek niet houdbaar, “jullie vraag raakt aan waar het wat mij betreft in het leven om gaat. Het is de vraag naar de zin van het leven, of zoals de rechtgeaarde katholiek zal roepen, ‘waartoe zijn wij op aarde?’ Jullie vragen of ik gelukkig ben. Als niemand mij deze vraag stelt, durf ik met een gerust hart te zeggen dat ik behoorlijk gelukkig ben. Jullie zien hoe ik leef, ik heb niet te klagen, ik heb m’n zaakjes goed voor elkaar, ik kan genieten van de goede dingen des levens. Maar er is ook de vraag van liefde en geluk, twee begrippen die voor mij heel dicht bij elkaar liggen, al zijn ze niet hetzelfde. Om het onderscheid te maken: geluk overkomt je. Je moet ervoor werken, je moet er naar zoeken, maar er komt een moment, dan slaat het onverhoeds bij je naar binnen. Een muziekstuk dat je vaker hebt gehoord en dat ineens een diepe ontroering bij je losmaakt, idem een schilderij dat na eindeloos bestuderen zijn geheimen prijsgeeft, zelden alle, nooit alle geheimen tegelijk. Een beeldhouwwerk dat je niet begrijpt en dat louter door er te zijn en er naar te kijken en eromheen te lopen je een gevoel geeft van ja ik snap wat je wil zeggen, ik weet niet wat precies, maar prachtig! En dat proces van trachten te begrijpen wat de kunstenaar heeft uitgedrukt, heeft willen uitdrukken, dat is waanzinnig spannend en het houdt nooit op.” “En de liefde? Houdt die ook nooit op?” Ander stelde de vraag terloops. Zij was niettegenstaande de almaar zwaarder wordende vermoeidheid getroffen door Heiko’s relaas, zij herkende er het een en ander in, had soortgelijke ervaringen opgedaan. En ze waardeerde de openheid waarmee hij sprak, ze voelde sympathie voor de worstelaar die moeite had om de strijd waarin hij zat helder voor zichzelf te definiëren. Een liep onrustig het terras op, keerde na enige tijd terug en keek Heiko en Ander aan. Ze begreep niet helemaal waar het om ging, een doel ontbrak, het was ingewikkeld oreren zonder eind, ze werd ongeduldig. Heiko’s relaas was haar te hoogdravend, te veel psychologie kwam er aan te pas die het hier en nu gladweg wegpoetste. Ze vond het groot gelul maar waagde het niet daar een punt van te maken. Ze had de neiging toe te geven aan de vermoeidheid, maar ergens irriteerde het haar dat er iets gebeurde dat ze niet helemaal begreep. Die irritatie hield haar wakker en haar in de grond opgewekt gemoed zei, “we nemen nu wel de particuliere binnenwereld van Heiko door, maar hoe staat het met onze innerlijke fysiologische mens? Die heeft als je het mij vraagt ernstig behoefte aan koffie. Wat denken jullie, zullen we aan die innerlijke mens gehoor geven? Die andere zaken zijn zeker van belang om doorgenomen te worden, maar het lijkt me; we moeten ook prioriteiten stellen, anders verzandt de dialoog door fysieke onmacht. En koffie houdt ons wakker en de geest scherp.” Opluchting bij Heiko en Ander, ze waren blij voor even uit hun gesprek getrokken te worden. Heiko ging spoorslags aan de slag met de koffiemachine, waar overigens niets voor hoefde te worden gedaan, alles automatique, alleen een kopje moest onder de uitlaat worden gezet. Zelfs het schoonmaken deed de machine zelf, wat een apparaten! En het moet gezegd; er kwam heel redelijke koffie uit, maar het was typisch zo’n ding voor een niet koffie adept. Ze liepen gedrieën een beetje rond over het terras, de zon stond al hoger en liet zijn toegenomen kracht voelen, het bleef ongelofelijk lekker weer, zeldzaam. “Goeie koffie Heiko, ook dat kunnen we waarderen, heb je soms een speciale koffie die je in de machine stopt?” Daar werd Heiko weer verlegen, want ja, hij kocht een dure exclusieve koffie in, gewoon omdat ie het kon betalen. “Hhmm hhmm, ik heb eens op vakantie zo’n lekkere koffie gedronken, ik dacht daar ga ik achterheen. Vandaar.” Het was geen onderwerp van buitengewone interesse voor de meiden, ze liepen rond, namen nog een koffie, de moeheid leek verdreven.

“Toch nog even terugkomend op mijn vraag, Heiko, wat doe jij om het geluk te vinden?, meer specifiek het geluk in de liefde? Dat interesseert mij, omdat ik er zelf niet goed achter ben hoe je dat nou doet. Zowel het najagen als het vinden.” “Daar sluit ik me bij aan”, zei Een, “met het jagen heb ik minder moeite, da’s wel leuk en soms opwindend, maar het vinden, ja, dat is wel een dingetje, ook voor mij. Want dat jagen, in liefdes lanen, dat is een drama als je over al die verschrikkingen in het land van de daters leest en zelf heb ik het ook een paar keer gedaan, wel, dan weet je het; dat doe ik dus nooit meer. Man!, wat een zelfkastijding, dat doe je jezelf echt niet meer aan, eenmaal een paar ervaringen wijzer. Dan kan je maar beter alleen blijven, of asceet worden, in momenten van het betere versterven gloren wellicht boeiende wanen, en wie weet wat het je allemaal brengt, aan schoonheid en geluk. Maar de jacht blijft leuk, al is de kans op raakschieten gering, daar moet toch iets op te vinden zijn, dacht ik zo. Maar ik weet het niet. Hoe zit dat bij jou Heiko? Heb jij misschien een adviesje?” “Het vinden van de ware liefde, is dat hetzelfde als geluk in de liefde? Daar kan je over twisten, een ware liefde hoeft helemaal niet conflictvrij te zijn, zoals conflicten in een relatie niet onvermijdelijk het einde van een relatief gelukkig samenleven hoeft te betekenen. Denk ik. Maar op dat gebied ben ik geen ervaringsdeskunige, integendeel. Wel heb ik uit de baaierd van teleurstellingen en mislukkingen een flinke voorraad don’ts opgebouwd, maar het akelige is dat je daarmee nog niet het recept van het rake schot zoals jij het noemt te pakken hebt. Dus om je de waarheid te zeggen: ik weet het niet.”

Daar vielen ze weer stil, ieder groef en pookte in z’n herinneringen, min of meer pijnlijke, vaak betrekkelijk onschuldige, maar niemand die een goed antwoord had op hoe het geluk in de liefde te vinden. “Ik vind wel dat je op zijn minst met elkaar moet kunnen lachen”, begon Een, die stiltes altijd lastig vond, je wist niet wat er ging gebeuren. “En dat merk je betrekkelijk snel, want als het allemaal maar serieus blijft, en beleefd dat is nog erger, dan kan je vermoeden dat wordt niks, te braaf, en dat zal het in bed ook worden. Humor is voorwaarde!” “Het helpt ook als je gespreksstof hebt waar je mekaar op kunt treffen, dezelfde interessen, als het even kan bepaalde voorkeuren, politiek of op de vlak van de kunsten, hoogdravend ja maar bij alleen samen keukenmeidenromannetjes lezen ga je het met elkaar niet redden, iets meer zicht op schoonheid en natuur helpen echt om mij in ieder geval over een streep te trekken. Goede sex is niet onbelangrijk, maar je kan het met elkaar leren, als je elkaar ergens hebt gevonden, geduld is de voorwaarde bij de oefening. En wat dat jagen betreft, ik geloof er niet in, het is mij allemaal veel te gestresst. Geef mij maar de trage aanpak, maar eerlijk gezegd weet ik niet of dat nou de panacee voor onze vraag is.” Ander leunde naar achter, ze had haar zegje gezegd. “Over dat jagen daar ben ik het eens, dat leidt tot niets, al was het maar dat je bij het schieten een vaste hand nodig hebt, maar als je zo hevig op zoek bent, dan kan je de beheersing wel vergeten. Daarbij, mij heeft het nooit wat opgeleverd.” Weer was het even stil, gedachten werden opnieuw geordend.

“Ik vind, je kan dan eventueel wel samen zijn, stel dat alles klappt, dat komt, geloof ik, voor, maar samen zijn betekent niet je individualiteit en je zelfstandigheid opgeven. De gedachte jezelf in de ander te verliezen, hoe romantisch ook, is voor dichters misschien een aantrekkelijk beeld, maar ik moet er niet aan denken. Dat is een schrikbeeld, want het werkt niet, nooit, omdat stel dat je bereid bent zover te gaan, en ik weet dat dapperen zo ver zijn gegaan, alle respect, en de ander is er voor even in meegegaan, op even romantische gronden, dat de ander altijd het onvermijdelijke gevoel van verstikking zal gaan ervaren, en dan knalt het met een harde klap uit elkaar, met bloedneuzen en al en blijven er twee mensen met flinke kneuzingen achter, de een omdat hij te veel vertrouwen in zichzelf heeft en te goedgelovig is, de ander omdat hij zich in zijn territorium bedreigd voelt en moet ontsnappen, het knelt allemaal te heftig.” “Eens, te veel druk op de ketel, dat werkt heel snel verlammend, de een zegt ‘maar ik wil zo graag’, of ‘ik wil het!, want ik weet dat het goed voor ons beiden is’, en de ander kent geen andere reflex dan ‘ik moet hier weg!’ Het mag een beetje relaxt zijn, beetje losjes, grapje, aftasten, samen naar de zee staren, in het begin vooral geen moeilijkdoenerij asjeblieft, dat is toch een onmiddellijke afknapper!” “Ik hoor dat je uit ervaring spreekt, klopt?”, Een knikte, “dat zijn heel heftige ervaringen, vooral omdat er geen boos opzet in het spel is en je niettemin verwachtingen had. Het is eerder een mismatch die wat mij betreft heel wat minder kwetsend is dan al die in het zand lopende datingontmoetingen waarbij het in een minuut duidelijk wordt dat het niks wordt, en dan mag je voor het fatsoen nog een poosje jezelf aan vreselijke kwellingen onderwerpen en voor je het weet ga je de verschrikkelijkste dingen roepen, om de stilte aan het datingtafeltje te smoren. Maar dat is eigenlijk ook niet zo erg, eerder komisch als je erop terugkijkt. Wat het erger maakt is de hardheid waarmee je de ander afserveert als blijkt dat de ware Jacob niet aan je tafeltje zit, en hoe de mannen op een afzwaaier reageren weten we wel, daar lusten de honden geen brood van. Dat ken ik dan weer, en nu ik erover nadenk geloof ik dat in de reactiepatronen hardheid voor de mensen verre de voorkeur heeft boven het gekwetst worden. Kwetsen is een heel diep ingrijpende emotie, daar moet je sterk voor zijn, om die te kunnen ondergaan. En dan spreken we hier over de niet intentionele kwetsing, die is van een andere orde als het doelbewust en doelgericht kwetsen zoals door politici en machtswellustigen al te graag wordt toegepast. Maar die weten het als het ze verkomt, die zijn erop gebouwd, afparelen noemen ze de reflex die ze dan inzetten. In het dating gebeuren is dat anders, jij weet waar ik over spreek want ik heb je ervan verteld”, Een kijkt Ander aan, blikken van verstandhouding werden uitgewisseld. “Misschien ga ik iets anders met teleurstellingen om dan jij. Dat kan, we hebben een verschillend temperament. Maar dat neemt niet weg dat het begin van een relatie, en daar hebben we allen ervaring mee jij toch ook Heiko?, een bijzonder teergevoelig proces is, en wij drieën zijn er niet in geslaagd dat proces naar een succesvol vervolg te leiden. Althans, als we het doel voor ogen hebben om een bestendige relatie op te bouwen, een relatie waarin het geluk een reële kans krijgt. We hebben geen gehoefte aan zouteloos gedoe.” “Een beetje naijver mag best, beetje jaloezie is de peper in een relatie haha, het houdt je wakker en laat je de relatie als het ware telkens weer op waarde schatten, ha! Want weet je, het gaat nooit vanzelf, een relatie in de lucht houden kost moeite en onderhoud en soms vervlakt de aandacht en dan” “dan hebben we allang een vriendje of vriendinnetje en dat hebben we helemaal niet, we zijn nog steeds zoekende. Wijsneuzerigheid en beter weten brengen ons echt niet dichter bij het antwoord op onze vraag. Misschien is het vinden van geluk gewoon te hoog gegrepen want die bloedneus ken ik al te goed en dat wil je jezelf niet gauw opnieuw aandoen. Geluk in de liefde lijkt me niet voor de hele mensheid weggelegd, dat zou me wat zijn, en de mannen geven hun rol als man en bovenliggende partij en commandeerder en vernederaar ten opzichte van welke vrouw ook niet zomaar op. We zien het aan de populariteit van de misogynisten, zo’n niet te verklaren tegenbeweging tegen het gezonde verstand en fatsoen, die hebben een kleine aanhang, op zichzelf genomen verwaarloosbaar, behalve dat zo’n pseudo leider van zo’n hele foute beweging zich binnen de invloedssferen van zekere leider van zeker land mag bewegen, wat heet hij is er welkom, en hij geniet klaarblijkelijk de bescherming van die zekere man. Wat uiteindelijk vooral iets zegt over die man en zijn entourage. Als we verandering willen, zullen we het moeten hebben van quota voor vrouwen, gelijke betaling voor gelijk werk, weg van het frame van de spierkracht die de man telkens weer in de strijd gooit de vrouwtjes zijn nu eenmaal zwakker, opnieuw een dolle mina beweging, het respecteren van de rechten van de vrouw, bestaan die wel?, zijn die ergens op schrift gesteld?, de rechten van het kind in ieder geval wel. Mannen gedragen zich te vaak als hufters, te vaak komen ze daar mee weg, vrouwen op hun beurt laten zich ongelofelijk veel aanleunen, dat helpt ook niet, en” “rechten van de vrouw bestaan, ze staan beschreven in het VN vrouwenverdrag en er staat het volgende in: lichamelijke onschendbaarheid en autonomie, vrij zijn van sexueel geweld, alle functies kunnen bekleden die mannen traditioneel bezetten, gelijkheid in de juridische arena, bedenk het maar wat er niet allemaal voor goeds in staat, het is één grote roze wolk en op die wolk zitten niet veel vrouwen. We moeten gewoon vechten met de vijand, en dat is de man. Zoals een oude Romeinse stelregel het beknopt samenvat: als je de vrede wilt, ik spreek de man hier aan, bereid je dan voor op de oorlog. Zo, dat is even gezegd, het moest er even uit, ha!, op de barricaden!” Een was voor even uitgepraat, ze stond versteld van haar eigen radicaliteit, ze wist natuurlijk waar ze het zonet over had, maar dat alles hardop te berde brengen, als een blauwkous honderd jaar geleden, de tijden waren veranderd, ja, waar, maar eigenlijk was er als het op de relatie mannetje-vrouwtje aankwam, “we zeggen never nooit meer ‘vrouwtje’!, dat doen we nooit meer!, alleen de president van bepaald land overzee mag dat, en van dat prerogatieve recht maakt hij rijkelijk gebruik, misschien juist omdàt hij geen rijk heeft.” Dat ze dit alles zo voor de vuist weg had geroepen, ze had het zichzelf een dag geleden niet toevertrouwd. “De mens kan veranderen, niet alles is gepredestineerd, het calvinisme loert overal, de calvinistische genen zijn er bij ons grondig ingestampt, maar met enige inspanning kan je je eraan onttrekken.” Moeite doen, daar kwam het vaak wel op neer, en moeite deden ze voor elkaar, en hoewel ze onderhand bar moe waren; het gaf ze een moeilijk te omschrijven gevoel van voldoening, van opwinding. Er gebeurde iets, en ze wisten het.

“We hebben het over geluk en de liefde gehad, we zijn het eens, niet eenvoudig allemaal maar je kan het bij het zoeken ernaar ook gewoon heel leuk hebben, en dat is in ieder geval een flinke opsteker in deze duistere tijden. Hoor je dat?, misogyne meneer van overzee?, heb je je oren wel eens open?, echt waar van niet? Afijn, de mens, ook als hij van overzee komt, laat zich niet tot het geluk dwingen, helaas, over zijn geluk gaan we het al helemaal niet hebben, daar vrees je toch een geweldige treurigheid aan te treffen, daar willen we ons niet mee bezighouden, te deprimerend. Ik wou nog één onderwerp aanstippen als jullie het goed vinden, daarna moet ik echt naar bed, weer op krachten komen, want morgen, dat is vandaag, is er weer een dag, en we moeten verder. Waar ik graag jullie mening over hoor, is intimiteit. Een woord met veel dicht bij elkaar liggende betekenissen, zoals bij zo veel woorden die niet onmiddellijk hun geheim prijsgeven, dat voor de mens en zijn bestaan en voortbestaan als elementair wordt beschouwd, en daar zijn beslist steekhoudende argumenten bij te bedenken. Mijn vraag aan jullie, en aan mijzelf, uiteraard, is: wat betekent intimiteit voor jullie, voor ons?” Ander wendde zich af, abrupt, de vraag zelf trof haar,  en dat had ze niet verwacht toen ze besloot ‘m te stellen.

Daar zaten ze weer te broeden, alsof ze in een examen zaten en naar het juiste antwoord op een in eerste instantie ondoorgrondelijke vraag zochten. Diep graven in het geheugen, eerste op het oog intuïtieve antwoorden wegen en verwerpen, eigen ervaringen die iets te maken konden hebben met intimiteit doorspitten. Een gaf de voorzet. “Intimiteit dat is als je na een stomende vrijpartij in elkaars armen ligt na te genieten, de geur van de sex opsnuivend, de handen strelen over natte huid, je voelt de warmte van het andere lichaam en zakt een beetje weg na de gedane daad, omdat ie goed was. Anders wordt de flight response actief haha!, dan moet je ‘m smeren. Maar zonder dollen; nabijheid, vertrouwdheid of werken aan het opbouwen van vertrouwen en zien dat daar wel kansen liggen, dat zit er wel in, dat hangt er aan. Liefde kan een rol spelen maar evengoed kan die liefde transcendent zijn ik kom even niet op het goede woord. In ieder geval is intimiteit onderdeel van de liefde, daarzonder wordt het een dorre boel. Maar het kan wel, alleen niet voor mij, da’s niks voor mij. Leven in de brouwerij, daar gaat het om!” Ze keek de anderen licht triomfantelijk aan, “en jij Heiko?, hoe zie jij intimiteit?” Daar zat ie weer, in de hoek van de vragen die hij het meest vreesde, het kwam ‘m te dicht bij. Maar die Rubicon was ie al meermaals overgestoken, “ik vind intimiteit moeilijk, echte nabijheid vraagt nogal wat van jezelf. Een wip is zo gedaan, die kan heel goed zonder intimiteit plaatsvinden, hij kan heel goed stomend zijn, zoals je zo treffend zegt, maar het hoeft helemaal niet tot intimiteit te leiden. En wegwezen als het echt niet je dat is, eens. Voor mij betekent intimiteit bereid zijn je open te stellen voor de ander, je maakt je kwetsbaar en dat is ronduit angstwekkend, daar zie ik behoorlijk tegen op. Om die stap te zetten. Bloedneuzen weet je wel. Dus ik blijf liever aan de veilige kant, al houd ik natuurlijk mijn ogen open en als je per ongeluk over de ware liefde struikelt komt het met dat andere ook vast goed.” Blabla, het zweet brak ‘m uit, hij wilde het niet laten zien, strekte de rug, staarde naar een ver punt. “Misschien is waar ik naar op zoek ben eerder geborgenheid. Je geborgen voelen vooronderstelt vertrouwen, kunnen vertrouwen op degeen die voor jouw veiligheid zorgt. Het kind en de moeder en de vader. Het helpt als de materiële basisvoorwaarden op orde zijn, dat maakt het geven van geborgenheid voor de ouders makkelijker, daar kan iedereen roepen wat ie wil, dat is gewoon zo. Ik denk dat wij als volwassene nog even hard op zoek zijn naar die kinderlijke geborgenheid, uiteindelijk gaat het om veiligheid, je ongecompliceerd veilig kunnen voelen zoals je als kind kon doen, als alles in orde was, nooit in absolute zin overigens. Voor de volwassene die een eigen leven leidt gaat het model van de kind-ouder relatie niet meer op, je gaat iets aan met een andere volwassene. En hoe je het draait of keert, dat verlangen naar een vorm van geborgenheid loopt gewoon mee als je een relatie met een ander aangaat, en dat gaat met nogal wat angst gepaard, te meer omdat er ook die zware begrippen van liefde en geluk mee samenhangen.”

“Maar hoe groot is die angst dan bij jou Heiko?” Ander stelde de vraag, ze zag dat Heiko het moeilijk had. “Dat gaat, het houdt zich binnen de perken, vooral omdat ik het materieel goed heb. Maar als je op de bottom line zit, daar zit dan de angst.” Het sloeg nergens op, wat ie daar zei, hij vluchtte voor zichzelf weg, trok zich terug op vertrouwde stellingen, weg van het al te persoonlijke. “Angst om nog dieper te zinken, om wat je nog hebt ook nog te verliezen. Wie heel weinig heeft, heeft, als het slechter wordt, heel veel meer te verliezen.” “Wat betekent dat, slechter worden?” “Heel eenvoudig: schulden, je huur niet meer kunnen betalen, de energierekening, kortom niet meer rond kunnen komen, want je moet ook nog eten. Daar is de politiek, en zeker de politiek door de have’s bedreven, een schandelijke verzaker.” “Maar de meeste mensen deugen toch, Heiko?” “Natuurlijk deugen de meeste mensen; 85, 90%? Maar het zijn de doorgewinterde belangenbehartigers die de politiek maken, bij ons misschien zo’n 10%, in Amerika is het nauwelijks 1. Die eigenbelangenbehartigers verstieren het voor de rest van de bevolking, want hun rijkdom wordt gewoon op kosten van de niet rijken vergaard. Dat is het probleem met de deugers, dat ze daar gladweg langsheen redeneren, in ieder geval er geen woord aan vuil maken.” “Pfoeh Heiko, nou ga je het weer zwaar maken, niet doen, we hebben het net zo gezellig met elkaar.” Een raakte weer licht gealarmeerd, zij zag haar zus een beetje somber worden. Heiko zwaar-op-de-hand moest gestopt worden. “Die politiek, daar zijn we het over eens, die is kut, daar moeten we van af. En daarom gaan wij de politieke partij PDD-nos oprichten. Dat gaan we doen, maar niet nu. We zijn moe, en voldaan na deze prachtige dag, en nu willen wij slapen, want het is kinderbedtijd. En daar moet je je aan houden, belangrijke pedagogische stelregel. Dus nu, lieve mensen inclusief mijzelf, gaan wij naar bedje toe, maar eerst een kus voor de nacht. Dag. Maakt niet uit.” Een liep op Heiko toe, ging op haar tenen staan en drukte een trage innige kus op zijn lippen. Ander kwam erbij en deed hetzelfde. Ze sloegen hun armen om elkaar heen en zo stonden zij daar een poosje in vredige stilte, “maar nu ga ik slapen”, zei Een en kleedde zich snel uit en gooide de spaarzame kleren op een stoel, Ander en Heiko volgden, het bed lonkte. Een had zich zo’n beetje in het midden van het kingsize bed neegevlijd, de knieën licht opgetrokken, de rug rond. Heiko legde zich tegenover haar, in eenzelfde positie. Ander ging lepeltje-lepeltje achter hem liggen, ze draaide haar lichaam op de matras tot ze goed lag, zuchtte tevreden en was meteen vertrokken. Daar lag Heiko, tussen twee mooie meiden, bijna sereen, niet helemaal. Hij overdacht de afgelopen twintig uren, was verbluft dat alles was gelopen zoals het was gelopen. De rechterhand van Een kroop als in trance van haar borst naar Heiko’s borst en middenrif, als op zoek naar wat daar verder nog was. Heiko nam haar hand voorzichtig in zijn linkerhand en leidde beiden terug naar borsthoogte, waar hij zachtjes in haar hand kneep. Onmiddellijk daarna viel ook hij in slaap. Een keek vanonder haar wimpers Heiko aan, een tedere glimlach gleed over haar ontspannen gezicht en vervolgens trok de slaap ook haar weg bij het waken. De slaap der rechtvaardigen, dacht zij net voordat ze naar droomloze oorden wegsuisde. In één soepele beweging draaide Ander zich op haar andere zij en drukte haar kont tegen die van Heiko aan. God de heer, want wie zou het anders kunnen zijn, zag van boven een X en een O, met de man als trait d’union ertussen. Wonderlijk beeld, dacht hij, en de man daar beneden wist het niet.