Tredmolen 3 De wind!

‘De wind! Die wind! Het is niet om uit te houden! Kan iemand die windmachine uitzetten, ja?’ De man stormde door het gordijn naar binnen, een verhitte kop boven een hoog dichtgeknoopte duffelse jas, een ijzige vleug buitenlucht met zich meesjorrend, dat vonden de mannen aan de tafel niet zo fijn.

‘Kan je voortaan sneller de deur achter je kont dichtdoen? Hier is niet tegen op te stoken. Man! Beheers je, doe je jas uit, ga zitten, Hendrikje komt zo.’ De man nam zijn stoel, dicht op de radiator, hij draaide wat op de gladde zitting, als een kat die zijn slaapplek voorbereidt en in orde maakt. Hendrikje kwam aanlopen en schonk in. ‘Mag ik er een biertje bij?’, vroeg de man, ‘ik moet even bijkomen, op temperatuur komen. Godsamme wat een wind, het houdt maar niet op met waaien.’ Hendrikje was bij de tafel blijven staan, zei tegen niemand in het bijzonder ‘ik ben vanmiddag anders in vliegende vaart hierheen gereden, met een zucht was ik hier, ik wil niet klagen. Straks wordt het natuurlijk een andere zaak, maar pas boven 7 Beaufort tegen de wind in fietsen wordt het leuk. En windkracht 7 is het, de terugtocht daar heb ik zin in.’ Dat kon ze zeggen, enthousiaste renner door de bossen en de duinen, het type buitensporter waar sommige mensen zo’n hekel aan hebben. Zij had sterke kuiten, durfde het gevecht met de wind wel aan.

‘Dat kan je nu wel zeggen, je bent jong en je weet niet beter, maar het is mijn stellige indruk dat het al jaren harder waait dan vroeger. Hoe vaak hebben we inmiddels niet aankondigingen van windkracht 6, voorjaarsstormen winterstormen vroege najaarsstormen, het weerbeeld was vroeger veel gelijkmatiger, toch? En nu hebben we al die straalstromen boven de oceanen en hoog boven de noordpool en waar niet al en de Nino’s, onschuldige naam. Daarvan zeggen ze dat die wel het weer beïnvloeden, maar die invloeden worden weer gecounterd door de Nina’s, op het eind niks aan de hand, het zijn statistische uitbijters, toevallig optredende incidenten die je buiten de analyse mag houden. Zeggen de wetenschappers van het KNMI zelfgenoegzaam. Ondertussen staat de wereld in de fik, ongekend grote bosbranden tijsteren het hele jaar door de aarde, de zeeën zijn heel veel warmer dan zo’n dertig veertig jaar geleden, en daarvan zeggen ze dan gladweg ja dat weten we niet zo precies, daarvoor hebben we te weinig data over langere periodes om dat goed in kaart te krijgen. De teneur in de standpuntinname van het KNMI is ‘niks aan de hand het harde statistische bewijs is er niet gaat u rustig slapen’. Dat geloof je toch niet? Dat is een officieel weerinstituut, die roepen in de rol van excuustruus dat op basis van de harde wetenschap er heel veel niet te bewijzen is, aan ontwikkelingen in het klimaat, en die durven met droge ogen te beweren niks aan de hand, incidenten zijn incidenten, een standpunt dat de oliebaronnen omarmen, die weten er wel raad mee.’ De man stopte abrupt, hij nam een slok jenever, daarna een flinke teug bier, dan weer een slok jenever. Hij leunde achterover, de handen voor hem op tafel. Hij keek de tafel rond, de mannen waren onder zijn boutade behoorlijk onrustig geworden. Hendrikje zag het aan, en om de stemming de andere kant op te turnen merkte zij op ‘heren, dit lijkt toch echt een generatiedingetje, daar zitten jullie toch anders in dan wij hoor. Er is al genoeg bekend over de klimaatverandering, daar gaan we gewoon mee aan de slag.’ Ze keek er opgeruimd bij en hoopte dat haar positieve inslag de mannen zou pacificeren.

‘Dat kan je wel zeggen’, antwoordde de man, ‘en ik begrijp dat, maar wij zitten met kleinkinderen, in wat voor wereld leven die over 70 80 jaar? Dan zitten we in 2100, een omineus getal als je al die klimaatalarmisten mag geloven. Maar je hebt gelijk, jullie moeten het doen, en doe het vooral voor jullie kinderen, dan kunnen wij rustig gaan slapen.’ De tafel ontspande, Hendrikje leek opgelucht. ‘Nog een rondje heren? Bitterballen? Kaartje leggen?’ De tafel rumoerde.