Tredmolen 5 Eigenwijs wensdenken

‘Heb je de plannen van de regering al gelezen? Hilarisch! Één groot wensdenken van 4 mensen, leiders, die alle vier òf hun eigen wensen, of die van hun vermeende achterban in dat postpakketje van 26 pagina’s hebben gekregen, geweldig! Strik erom en klaar. En de euphorie van een leider als ie voor de camera’s staat en de wereld meldt dat ie er héél veel zin in heeft. Macht, of preciezer gezegd de zucht naar macht is toch een boeiend fenomeen, vooral als je het in vivo kunt observeren. Denk je dat de zucht naar macht een universele drijfveer is? Dat we daar als mens zijnde allemaal mee behept zijn?’ Hij had zich naar de man schuin tegenover ‘m gewend, een man die om geen mening verlegen zat. ‘Hendrikje, een borrel! En schenk de anderen ook bij wil je?’ Hendrikje schoot uit de startblokken, ze voorvoelde dat de gemoederen verhit zouden raken, een rustige middag zat er niet in. ‘Heren, alstublieft, had u nog wat anders gewenst?’

‘Een kaaskoekje’, zei een anders stille man, heb je misschien een kaaskoekje? Een zoutje daar hept de mens behoefte an.’ De tafel stond perplex. ‘Een kaaskoekje? Wat moet je met een kaaskoekje?, we hebben toch bitterballen? En een blokje kaas als het moet, da’s toch genoeg? Of moeten we hier deftig gaan zitten wezen?’ 

‘Een kaaskoekje heeft een ander zoutje, anders dan een bitterbal, of een stukje kaas dat zich moeilijk laat wegspoelen’, antwoordde de man, ‘het is fijner van smaak.’

‘Dus toch deftig wezen, dat gaan we niet doen. Hendrikje! Bitterballen graag! Geen discussie. Zoutjes, daar doen we niet aan, doe dat maar in je eigen straatje.’

‘Een zout koekje is echt beter voor de fysiek dan een bitterbal hoor.’

‘O god, een gezondheidsapostel, dat willen we hier niet hoor, dat geeft maar beterwetendiscussie, dat schiet niet op en het is slecht voor de bloeddruk.’

Intussen had de man die eerder was aangesproken op de vraag of machtshonger een universele menselijke trek is, of meer in het algemeen een universele trek van levende wezens is, drukt de machtige eik of linde niet al het klein grut rond z’n stam weg, beducht als hij is voor het schielijk roven van het levensnoodzakelijke water?, hij had over een antwoord zitten nadenken, het zoutjesgestechel was hem ontgaan. Het commando bitterballen! had ie wel meegekregen, luide stem, en verdomd, hij had zin in een bitterbal. 

‘Of machtshonger een universele trek is weet ik niet. Wat je wel ziet is dat als mensen in een situatie komen waar macht hen als het ware aangeboden wordt, of als ze zichzelf in een situatie manoeuvreren dat macht een te bereiken doel wordt, dat slechts weinigen zo’n aanbod kunnen weerstaan. Zoals het spreekwoord zegt ‘de gelegenheid maakt de dief’. Zo is, als macht voor het grijpen ligt, die macht bijzonder moeilijk te negeren. Niet velen zullen, als ze de kans krijgen om een stukje macht te grijpen, zeggen nee dank u toch maar niet want macht corrumpeert. Dat doet volgens mij geen hond.’

Daar was de tafel even stil van. Iedereen had wel beelden van macht en hoe ze daar in het verleden mee omgingen, je baan, je baas, politieke druk, je werk goed willen doen maar daarin voortdurend dwars worden gezeten door machtswellustige malloten die, louter op het behoud van hun positie bedacht, niets anders konden bedenken dan het creëren van een permanente chaos. Waar je toch wel enigszins creatief voor moet zijn, toegegeven; chaos houdt de gemoederen permanent bezig en leidt prima af. Dat lag nu goddank achter hen, ze waren er van af en ze hadden er helemaal geen zin in om met de beterweterwereldduider een discussie over dit onderwerp te beginnen, al wisten ze dat ie in grote lijnen een punt had. Maar ieder voor zich raakte bij de gedachte aan een mogelijke discussie alleen al in z’n eigen verhalen verstrikt, ze waren opgelucht niet in die troebelen te hoeven vissen. Hendrikje zag het stiltemoment even aan en greep haar kans, ‘heren, ik vind de gedachte van een kaaskoekje als variatie op het bitterbalconcept nog niet zo verkeerd. Het is een kleine moeite voor mij om een paar pakken koekjes in te slaan en die onopvallend op de tafel te zetten, niet te veel. En geen zoute pinda’s want die zijn heel ongezond, zeker als je er veel achtermekaar achterover slaat. Maar zo’n kaaskoekje kan wel, staat ook chic.’

‘Komen we weer met die deftigheid! Hendrikje! hou op met die flauwekul, ein Bitterbal reicht! nou ja, twee.’ Een homerisch gelach steeg op, de spanning was gebroken, geen geëmmer over macht meer, geen risico van een pijnlijk gesprek.

‘Weet u wat, ik haal wat van die zoute koekjes, dan kunnen we het eens proberen, niet geschoten is altijd mis’, riep Hendrikje.

‘Alléén als ze van een hele goeie koekebakker komen’, zei de precieuze van het gezelschap. Die had wel wat deftigs over zich.

‘Het grappige van wensdenken’, zei l’explicateur tenslotte, ‘is dat als je iets heel hard wil, je er ook in gaat geloven. Dat het uitkomt.’ Daar konden ze het weer mee doen. ‘Hendrikje! De kaarten! En waar blijven de bitterballen?’