Zwarte wolken verwaten trots benut om
helden kussen regendruppels dauwglanzend
dageraad gebroken omwille van een vluchtig
aangevangen flirt
Vliegend vlug gevlucht
Neergedaald in rijpe appelgaard
beschut van lover rijp aan vrucht
de niet beminde in paniek ontvlucht
Tot rust gekomen de zinnen weer verzet
dacht dierlijk diertje licht ontzet
in groeiend teer verlangen
waarheen gaan nu mijn gangen?
Een aapje aan de leiband sprong op baasjes nek en kneep ongegeneerd hard in oor. Baasje echter had geen pijn want een kunstoor doet geen zeer maar schreeuwt au au! automatisch. Passanten schrikken op en kijken pijnlijk en bevreesd naar de artiest. Die grijnst, en aapje klapt verheugd om zoveel aandacht de klauwtjes stuk en oor, rood van de tormentatie, piept zacht en kermt van alle onrecht aangedaan.
Een kunstbestaan is recht onaangenaam.
Worstelaar in voorgeschreven tenu schrijdt omzichtig op zijn tegenstander toe. Maar voor hij weet wat hem gebeurt zwiert hij in een sierlijke boog richting aarde richting harde richel, en breekt zijn rug. ‘Altijd uit je doppen kijken’, zegt meester bestraffend. De worstelaar, in stille gehoorzaamheid, beweegt zich niet. Hij leert van de meester, kijken is het begin. Dan vallen. Dan haten.
Doorzakkend door de stoel, het riet gescheurd de nylonkous door ’t gescheurde riet gescheurd, en draagster in cholerisch driftig snel gesproken taal zegt: ‘die stoelen gaan weg, daar heb ik lang genoeg naar moeten kijken.’
‘Weg, weg.’
‘Een nieuw matje?’, waag ik mij nog te verstouten. ‘Die wiebeldingen nee, eruit.’ Gedecideerd nu.
Wie heeft de langste adem?
Een oorvijgertje komt langsgesneld en deelt klappen uit zo hard dat tuitende menigten naar roodgloeiende oorschelpen grijpen en grimassentrekkend elkaar van tollende marteling verhalen. Het huilen staat ze nader dan het lachen.
De fatsoenist trekt uit zijn la ontelbaar boze brieven, zonder uitzondering onbeantwoord. Bij herlezen ontsteekt hij weer in onbedaarlijke woede, en met oplopende hartslag grijpt hij de pen en begint zijn zoveelste brief. Hij schrijft: Mijne heren, in antwoord op uw nooit ontvangen antwoord en bij gebrek aan een valide tegenwerping tegen mijn zo rechtvaardig gestelde in hechte structuren zo in gerechte termen geuite bezwaren tegen uw. Hier stokte de pen en raakte de schrijver van slag. Aan wie werd de brief geschreven? Wie was de adressant?
Het gezicht van de man versomberde. Hoe was dat nu? Aan niemand meer een rechtvaardiging te kunnen richten? Geen adressant aan wie de normen der braafheid kunnen worden uitgelegd? Niemand meer aan wie kan worden uitgelegd wat goed is en wat fout?
Een tomeloze val sleurde de fatsoenist het zwarte gat in. Een vrije val, peilloos diep, door niemand gestuit.
Een apologie geschreven aan de mensheid.
Verhoopte loutering door de erkenning van de beperking van het fatsoen.