Hoop en troost

Hoop doet leven, je klampt je eraan vast, bij gebrek aan beter, en toch doet de hoop je goed, ook als je hem zelf hebt gecreëerd. Je hebt jezelf een doel gesteld, al of niet fantastisch, al of niet realistisch, de lucht klaart op, de blik wordt helder, je hebt iets om naar toe te werken.
In dit geval is het een goede vriend die zichzelf niet zozeer een doel heeft gesteld, hij is afhankelijk van het succes van een behandeling die anderen op hem willen loslaten. Dan raak je in sferen van kansen en slaagpercentages, van afwegingen, wel – niet doen, in de laatste plaats van het verhaal dat de expert vertelt. Het verhaal geeft hoop, mijn vriend heeft de hoop overgenomen, ik hoop met de hoopgevende en -ontvangende mee, iets lichter is het leven voor even.

Hoop. En troost. Wanneer is troost gevraagd? Bij een verlies. Het verlies van een dierbare. Troost is gevraagd in een kleine kring van mensen die elkaar goed kent. Partners, ouders, kinderen, vrienden. Troost is verbonden aan intimiteit, aan machteloosheid ook. Je wilt een verlies verzachten, wegnemen, en je weet, dat kan helemaal niet. Een menselijk onvermogen dat niettemin in al zijn onvolkomenheid een verlies bij de ander kan verzachten, dat hoop je, dat de ander zich niet alleen voelt in zijn verdriet.